HARVARD UNIVERSITY

Ernst Mayr Library of the Museum of Comparative Zoology

5^00

iBusesm

driemaandelijks tijdschrift van de

VLAAMSE VERENIGING VOOR ENTOMOLOGIE

Afgiftekantoor Antwerpen X j35j^ 0771-5277

Oorechot (Amsterdam), D. van der Poorten (Antwerpen), W. O. De Prins (Antwi^en) werpen), H. van

_Redactie-adres: W. O. De Prins, Diksmuidelaan 176, B-2600 Antwerpen (Belgium) - e-mail: wdprins@innet.be.

1 maart 1997

Jaargang 25, nummer 1

Het voorkomen van By/es euphorbiae, Aricia agestis, Hipparchia semele en Issoria lathonia in het MCZ duingebied van de Vlaamse Westkust in (Lepidoptera) DFC 2 o \

Dries Bonte , , ^

harvard

in ü.cZIeYl°o"f Hipparchia

in tne dune-area of the Westcoast of Flanders in 1996 (Lepidoptera).

i^vesXat?/.rth ‘7^’ population-size of four threatened species of Lepidoptera was

mvestigated in the dune-area of the Westcoast of Flanders. All investigated species were present along the

nan^rr^L orlse^n^^^^^ of Butterflies from

rianaers, was present in the study-area in two small populations.

dunes^dèrctn riricic agestis. Hipparchia semele ei Issoria iaihoma dans les

dunes de la cote occidentale de la Flandre en 1996 (Lepidoptera).

Pendant 1995 et 1996, la présence et l'ampleur des populations de quatre espèces de Lépidoptères en voie d extinction etait etudiee dans la region des dunes occidentales de Flandre. Toutes les espèces étaient présentes

Liste Rouge des Pap 11 ns d

Flandres. etait present dans la région étudiée en deux petites populations. P ^ oes

Key words: population size - threatened butterflies - Westcoast of Flanders.

Bonte, D.: Instituut voor Natuurbehoud, Kliniekstraat 25, B-I070 Brussel.

Inleiding

Recente inventarisaties (Bonte 1992, Maes & Daniels 1995, Vanholder et al. 1995) bevestigen het voorkomen van Hyles euphorbiae (Linnaeus, 1758) (de wolfsmelkpijlstaartvlmder), Aricia agestis ([Denis & Schiffermüller], 1775) (het bruin blauwtje , /55ona lathonia (Linnaeus, 1758) (de kleine parelmoervlinder) en Hipparchia (Linnaeus, 1758) (de heivlinder) in het duingebied van de Belgische Westkust.

vr- u Dagvlinders van Vlaanderen (Maes & Van

Uijck 1996) opgenomen als kwetsbaar {Aricia agestis en Hipparchia semele) en als uitgestorven {Issoria lathonia). Alhoewel deze diergroep zeer populair is bii natuuronderzoekers, blijkt dat omtrent het voorkomen van deze soorten toch weinig bekend is. Deze bijdrage poogt alvast duidelijkheid te scheppen omtrent het voorkomen en de populatiegroottes van deze vier soorten.

Phegea 25 (1) (1. III. 1997):

Materiaal en methode

Het is duidelijk dat het verzamelen van losse waarnemingen van de besproken soorten geen goed beeld zal geven omtrent hun voorkomen en populatiegroottes. Het valt tevens op dat H. euphorbiae, I. lathonia en H. semele zelden worden waargenomen, hoewel de soorten toch niet zo zeldzaam blijken te zijn. Dit heeft wellicht meer te maken met het specifieke biotoop (vooral helmduinen met Ammophila arenaria) dat zelden wordt bezocht. Ook van A. agestis zijn er weinig gegevens voorhanden die het voorkomen van deze soort kunnen ophelderen.

De vier soorten werden in 1995 gelokaliseerd in de verschillende duingebieden, terwijl de schattingen van de populatiegroottes gebeurden in de zomer van 1996. De populatie van H. euphorbiae kon het gemakkelijkst worden geschat door de aanwezige rupsen te tellen op zeewolfsmelk Euphorbia paralias L. De maximale aantallen werden geteld op het moment dat de eerste volgroeide rupsen konden worden waargenomen (begin-medio augustus). Voor de drie dagvlindersoorten werd getracht een totaalbeeld van de populatie te verkrijgen. Daartoe werden totaaltellingen van de duingebieden waar de soort voorkomt uitgevoerd. Uiteraard zijn dubbeltellingen dan niet te vermijden. Daarom werden voor A. agestis en H. semele nog enkele aanvullende transecttellingen uitgevoerd. Deze telgegevens konden dan geëxtrapoleerd worden naar de totale oppervlakte met een analoge vegetatie. De totaaltellingen werden dan vergeleken met de geëxtrapoleerde gegevens om tot een schatting te komen van de totale populatie. De bekomen aantallen werden vervolgens afgerond naar de tientallen.

Bespreking

De verspreiding in het onderzochte gebied van de vier besproken soorten is weergegeven op de figuren 1-4.

Hyles euphorbiae (Linnaeus, 1758)

Rupsen van H. euphorbiae worden elk jaar in wisselende aantallen gevonden in de duinen van de Belgische Westkust (Vanholder et al. 1995, Vanholder 1994, 1995, 1996). In totaal werden in 1996 201 rupsen geteld op E. paralias in de zeereepduinen (zie tabel 1). Dit zijn meteen de hoogste aantallen voor België ooit. Het is natuurlijk de vraag of deze soort jarenlang al dan niet onderteld is geweest. Deze gevonden toename van de aantallen is anderzijds niet vreemd, gezien de laatste jaren het areaal van verschillende mediterrane soorten zich noordwaarts uitbreidde. Zo bijvoorbeeld Conocephalus discolor (Orthoptera), Pardosa proxima (Araneae), Dicranopalpus ramosus (Opiliones) (Slosse 1995), Crocothemis erythraea en Lestes barbarus (Odonata) (Bonte 1992, Stoks et al. 1 995) en Merops apiaster (Aves) (Bonte, in druk).

Tabel I; populatiegrootte van H. euphorbiae in het duingebied van de Vlaamse Westkust.

Plaats

Populatiegrootte

Zeereep Westhoek (De Panne)

82

Zeereep Schipgatduinen (Koksiide)

63

Zeereep Zeebermduinen (Oostduinkerke)

56

TOTAAL

201

Phegea 25 {\){\A\\.\997): 2

Figuren 1-4: Voorkomen in de duinen van de Vlaamse Westkust van 1. Hyles euphorbiae, 2. Aricia agestis, 3. Issoria lathonia, 4. Hipparchia semele.

Aricia agestis ([Denis & SchiffermUller], 1775)

Bij vroegere inventarisaties (Bonte 1992, Maes & Daniels 1995) werd A. agestis getypeerd als een zeldzame soort van droge duingraslanden. Deze studie bracht heel wat meer vliegplaatsen van deze soort aan het licht. In de grotere duingebieden ontbreekt de soort in de dichte Hippophae rhamnoides-Salix repens-s\x\xvjt\tn en in de ijle stuifduinen. Ze is echter typisch voor de mesofiele gestabiliseerde graslanden {Koeleria albescens, Helianthemum nummularium). In de binnenduinen is de soort algemeen op ijlere graslanden met Festuca filiformis. Corynephorus canescens en Erodium cicutarium. De totale populatie aan de Westkust in 1996 kon geschat worden op minstens 200 exemplaren (zie tabel 2).

Tabel 2: p>opulatiegrootte van Aricia agestis in het duingebied van de Vlaamse Westkust.

Plaats

Populatiegrootte

Westhoek (De Panne)

+30

Cabour (Adinkerke)

+30

Garzebekeveld (Adinkerke)

5-10

Oosthoekduinen (De Panne)

+?

Doompanne (Koksijde)

+30

Houtsaegerduinen (Koksijde-De Panne)

+20

Oostvoorduinen (Oostduinkerke)

+30

Plaatsduinen (Oostduinkerke)

+?

Ter Yde-Hannecart (Oostduinkerke)

+30

Similiduinen-Groenendijk (Nieuwpoort)

+20

TOTAAL

+195

Phegea 25 ( 1 ) (1 .111. 1 997): 3

Issoria lathonia fl^innaeus, 1758)

Van deze in Vlaanderen verdwenen geachte soort lieten de meldingen de laatste jaren (o.a. Vanholder 1995, 1996, Vanholderet al. 1995) een populatie vermoeden in de duinen van “De Westhoek’’ te De Panne, mede omdat de soort in kleine aantallen voorkomt in “Les Dunes du Perroquet’’, het Franse gedeelte van het grote duinencomplex langs de Westkust (mond. med. M. Leten). Bij het zoeken naar I. lathonia werd, zoals verwacht, een kleine populatie vastgesteld in de Westhoek. Ook het duinencomplex Ter Yde- Oostvoorduinen te Oostduinkerke herbergt een kleine populatie van deze bedreigde soort (zie tabel 3). De soort werd vooral vastgesteld op de mosduinen en op de mosaïekgraslanden. Buiten deze duingebieden waren er nog enkele waarnemingen in de duinen van de Noordduinen. Wellicht betreft het hier enkele zwervers, aangezien tijdens gerichte bezoeken geen exemplaren werden waargenomen.

Tabel 3: populatiegrootte van Issoria lathonia in het duingebied van de Vlaamse Westkust.

Plaats

Populatiegrootte

Westhoek (De Panne)

10-15

Ter Yde-Oostvoorduinen (Oostduinkerke)

5-10

TOTAAL

. 15-25

Hipparchia semele (Linnaeus, 1758)

De heivlinder was tot nu toe slechts bekend van twee populaties langs de Westkust (Bonte 1992). Gedurende dit onderzoek werden nog nieuwe populaties gevonden in de zeereep- en voorduinen en langs de binnenduinrand. Het voorkomen van deze soort is beperkt tot deze duintypes, wat verklaard wordt door zijn habitatspreferentie: blonde duinen met Ammophila arenaria, Corynephorus canescens en Festuca rubra. De totale populatie aan de Westkust kan geschat worden op 200-280 exemplaren in 1996 (zie tabel 4).

Tabel 4: populatiegrootte van Hipparchia semele in het duingebied van de Vlaamse Westkust.

Plaats

Populatiegrootte

Westhoek-zeeduinen (De Panne)

30-40

Westhoek-binnenduinrand (De Panne)

10-20

Belvedère (Koksijde)

40-50

Schipgatduinen (Koksijde)

10-20

Noordduinen-binnenduinrand (Koksijde)

30-40

Zeebermduinen (Oostduinkerke)

40-50

Ter Yde (Oostduinkerke)

20-30

St.-André (Oostduinkerke)

20-30

TOTAAL

200-280

Samenvatting

Gedurende 1995 en 1996 werd het voorkomen van vier zeldzame vlindersoorten in de duinen van de Vlaamse Westkust onderzocht. Uit de studie blijkt dat de zeldzaam geachte soorten in verschillende leefbare populaties aan de Westkust voorkomen. Het voorkomen van de soorten werd in het verleden steeds onderschat door de onopvallende levenswijze {Hyles euphorbiae. Aricia agestis) ofwel doordat het typische biotoop zelden werd onderzocht (Issoria lathonia, Hipparchia semele). Wel dient opgemerkt te worden dat de populatieaantallen van jaar tot jaar sterk kunnen schommelen als gevolg van wisselende klimatologische omstandigheden (Bink 1992). Gelet op de gunstige voorbije zomers kan

Phegea 25 (1) (1 .111.1997): 4

verondersteld worden dat de populaties van de besproken vlindersoorten momenteel toenemen of reeds maximaal zijn.

Dankwoord

Dank aan W. Slosse, G. Warreyn en M. Leten voor het doorgeven van hun waarnemingen.

Literatuur

Bink, F. A., 1992. Ecologische Atlas van de Dagvlinders van Noordwest-Europa. Schuyte & Co., Haarlem, 512

pp.

Bonte, D., 1992. Dagvlinders aan de Westkust. Duinen 6: 16-30.

Bonte, D., 1992. Libellen Odonata in de duinstreek van de Vlaamse Westkust: resultaten van een inventarisatie gedurende de periode 1990-1994. Gomphus 10: 39^4.

Bonte, D. (in dmk). Een eerste broedgeval van de Bijeneter Merops apiaster in Vlaanderen (De Panne, West Vlaanderen).

Maes, D. & Daniels, L., 1994. Voorlopige Atlas van de Vlaamse Dagvlinders. £ug/ena-themanummer. Jeugdbond voor Natuurstudie en Milieubescherming vzw. 65 pp.

Maes, D. & Van Dijck, H., 1996. De Rode Lijst dagvlinders van Vlaanderen. Vlinders 11: 21-23.

Slosse, W., 1995. Dicranopalpus ramosus (Opiliones: Phalangiidae), nieuw voor de Belgische fauna. Nieuwsbrief Belg.Arachnol. Ver. 10: 11-13.

Sloks, R., De Knijf, G. & Adriaens, R., 1995. Wat is de status van Lestes barbarus in België? Le statut de Lestes barbarus en Belgique. Gomphus 11: 15-16.

Vanholder, B., 1995. Trekvlinders in 1994, elfde jaarverslag (Lepidoptera). Phegea 23: 65-104.

Vanholder, B., 1996. Trekvlinders in 1995, twaalfde jaarverslag (Lepidoptera). Phegea 24: 49-68.

Vanholder, B., DeTurek, A., Glabeke, G., Misonne, B., Troukens, W., Van Opstaele, M., Vermandel, E., 1995. De Belgische trekvlinders en dwaalgasten (10 jaar Belgisch trekvlinderonderzoek). Vlaamse Vereniging voor Entomologie. Antwerpen. 76 pp.

Vermandel, E. & Vanholder, B., 1994. Trekvlinders in 1993, tiende jaarverslag (Lepidoptera). Phegea 22: 37- 52.

Phegea 25 (1) (1 .III. 1997): 5

Boekbesprekingen

Karsholt, O. & Razowskl, J. (Eds.); The Lepidoptera of Europe. A Distributional Checklist.

21 X 30 cm, 380 p., Apollo Books Aps., Kirkeby Sand 19, DK-5771 Stenstnip, Denmark, gebonden, versie op CD- ROM inbegrepen, 1996, DKK 490,- (ISBN 87-88757-01-3).

Het is van 1901 geleden dat er een volledige naamlijst van de Europese Lepidoptera verscheen. In de huidige lijst worden niet minder dan 8470 soorten opgesomd, ingedeeld in 1680 genera en 85 families. De idee voor deze lijst onslond ongeveer 10 jaar geleden op het SEL-congres te Wageningen, toen J. Razowski voorstelde om een lijst van de Europese Lepidoptera samen te stellen. Verscheidene specialisten zegden hun medewerking toe, maar talrijke onvoorziene omstandigheden hebben ertoe geleid dat het aanvankelijk voorgestelde tijdschema niet kon worden gevolgd. Nochtans werd in 1994 het manuscript ter publicatie aangeboden. Vanaf toen nam O. Karsholt het heft in handen. Stukken van het oorspronkelijke manuscript werden naar verschillende specialisten gezonden ter controle en aanvulling en in niet weinig gevallen kwamen er heel wat contradictorische reaches binnen. Door vele gesprekken, contacten op allerlei vlak en dergelijke meer is getracht een voor iedereen zo aanvaardbaar mogelijke versie klaar te krijgen. In sommige gevallen werden hele groepen taxonomisch bewerkt en wat daarvan nu in de lijst staat, is nog niet eerder gepubliceerd.

De systematische lijst zelf volgt de meest moderne systematiek en nomenclatuur. Het valt toch wel op dat er steeds minder naamsveranderingen nodig zijn op soortniveau. Wel komt het vaker voor dat een soort bij een ander genus wordt ingedeeld, zodat ze een nieuwe combinatie krijgt Wijzigingen die nog niet eerder, of slechts recent gepubliceerd werden, staan achteraan becommentarieerd. Hier vindt men ook een opgave van de belangrijkste synoniemen. Vermelding van vele synoniemen in de lijst zelf zou geleid hebben tot een grote vermeerdering van het aantal pagina’s en van de index.

In de lijst worden alle Lepidoptera-soorten vermeld die in Europa voorkomen. De oostgrens van Europa is getrokken in de Oeral. Noord-Afrika, de Canarische eilanden, Madeira en de Azoren worden niet behandeld. Dit is jammer omdat de soorten die daar voorkomen, zoögeografisch gezien bij de Europese fauna aansluiten. Achter elke soort staat in 35 kolommen de aanwezigheid ervan in even zoveel landen of eilanden vermeld. De lezer krijgt zodoende een ruw idee over de verspreiding van de verschillende soorten. Door zulk een lijst is het snel mogelijk vast te stellen of men een soort nieuw heeft ontdekt voor een bepaald gebied. Vooral in dit deel van de lijst zitten er zeker nog een heleboel onvolkomenheden, zeker voor de landen waarvan geen catalogus van de Lepidoptera bekend is.

Op initiatief van O. Karsholt zal er een werkgroep opgericht worden met enkele specialisten die alle aanvullingen, correcties en commentaar zullen bundelen en eventueel verwerken tot een latere, tweede editie.

Achteraan vindt men een literatuurlijst en een alfabetische index waarin verwezen wordt naar de nummers van de verschillende namen. Het boek is keurig uitgegeven en stevig ingebonden. Het is geschikt om dikwijls geraadpleegd te worden zonder meteen uiteen te vallen. Iedereen die te maken krijgt met de systematiek van Lepidoptera zou het boek moeten bezitten. Het is een absolute aanrader!

Willy De Prins

Heppner, J. B.: Keys to families of Lepidoptera.

21,5 X 28 cm, 28 p., 9 tekstfiguren, Tropical Lepidoptera 4, supplement 3 (1993), 1996, Association for Tropical Lepidoptera Ine., c/o Florida State Collection of Arthropods, P. O. Box 141210 Gainesville, FL 32614-1210, U.S.A. (ISSN 1048-8138).

Dit supplement bevat determineertabellen voor de 124 Lepidoptera-families die momenteel onderscheiden worden op wereldwijde basis. Er zijn afzonderlijke tabellen voor brachyptere of aptere groepen, dagvlinders en daarop gelijkende motten, Noctuoidea, Geometridae-achtige motten, Bombycoide-achtige motten, motten met een jugata, Microlepidoptera met een beschubd haustellum en Microlepidoptera met een naakt haustellum.

De tabellen zijn tweetalig Engels en Japans. De figuren stellen de voornaamste morfologische kenmerken voor die in de tabellen gebruikt worden. Achteraan volgt een systematische lijst tot op het subfamilie-niveau. De publicatie eindigt met een systematische index en een korte referentie-lijst.

De publicatie is vooral interessant door het systematisch overzicht van de Lepidoptera-families op wereldniveau. De tabellen zelf zullen waarschijnlijk slechts door een beperkt publiek geraadpleegd worden, omdat de meeste te determineren exemplaren onmiddellijk als behorend tot een bepaalde familie kunnen herkend worden.

Willy De Prins

Phegea 25 (1 ) (1 .III. 1 997); 6

Scoparia conicella conflrmed for the Belgian fauna (Lepidoptera: Pyralidae, Scopariinae)

J. E. F. Assclbergs

Abstract. The characteristics of the male and female genitalia of Scoparia conicella (de La Harpe, 1863) are discussed and comparcd with those of Scoparia basistrigalis Knaggs, 1866 and Scoparia ambigualis (Treitschke, 1829). The distribution of S. conicella is briefly discussed.

Samenvatting. Scoparia conicella bevestigd voor de Belgische fauna (Lepidoptera: Pyralidae, Scopariinae)

De kenmerken van de mannelijke en vrouwelijke genitalia van Scoparia conicella (de La Harpe, 1863) worden besproken en vergeleken met die van Scoparia basistrigalis Knaggs, 1866 en Scoparia ambigualis (Treitschke, 1 829). Verder wordt de verspreiding in Europa van S. conicella kort besproken.

Résumé. La prcscnce de Scoparia conicella confirmée en Belgique (Lepidoptera: Pyralidae, Scopariinae) Les caractéristiques de 1’armure génitale du male et de la femelle en comparaison avec ceux de Scoparia basistrigalis Knaggs, 1866 et de Scoparia ambigualis (Treitschke, 1829) sont discutés. La distribution en Europe de S. conicella est mentionnée.

Key words: Scoparia conicella ~ Scoparia ambigualis - Scoparia basistrigalis - faunistics - Belgium - genitalia.

Asselbergs, J. E. F.: Steenbergsestraat 16A, NL-461 1 TE Bergen op Zoom, Nederland.

Within a small number of Pyralidae collected by Mr. A. Riemis at Han-sur-Lesse, prov. Namur, Belgium, the author found 2 specimens, unfortunately rather wom, belonging to the Scopariinae. After dissection they proved to be a male and a female of Scoparia conicella (de La Harpe, 1 863).

The species can be identified in the male (figs. 1-2) by 2-3 long straight spines in the aedeagus, followed by 2-3 shorter and bent ones, all iying in one row. The spines in the aedeagus of S. ambigualis (Treitschke, 1 829) (fig. 3) are about half as long as those in S. conicella. The comuti in the aedeagus of S. basistrigalis Knaggs, 1866 are arranged in two distinct rows (fig. 4).

The female genitalia of S. conicella (fig. 5) are characteristised by a wide ostium, a sclerotised plate nearby, but espccially by a ductus bursae which is twisted just before entering the corpus bursae. The bursa is squamous on one side and provided with small spines on the other. In S. basistrigalis the ductus bursae is not twisted and wider than in the two other species (fig. 6). Also in S. ambigualis (Treitschke, 1829) the ductus bursae is not twisted (fig. 7).

Extemal morphology: The ciliae of the forewings are obviously barred in S. basistrigalis (to a lesser degrec also in S. ambigualis) and not barred but with a sharply dividing blackish line in S. conicella (see Wolff 1959).

Biology; unknown.

Distribution: S. conicella is known from Austria (Styria), northem Germany, Denmark (Jungshoved), Switzcrland (St. Gallen, Aigle, Lausanne) and France (maritime Alps) (resp. Slamka 1995, Wolff 1959 and Lcraut 1983). Furthermore, the species is mentioned from Sweden, Latvia, East Europe, and Italy (Speidel 1996). It is not known from The Netherlands nor from The British Islcs.

Phegea 25 ( 1 ) (1 .111. 1 997): 7

Fig. 1: Male genitalia of Scoparia conicella (de La Harpc, 1863), Belgium, Namur, Han-sur-Lcsse, 15.VI.1989, leg. A. Riemis (Gen. prep. 3752 Ass).

Figs. 2-4: Cornuti in the aedeagus of; 2. Scoparia conicella (de La Harpe, 1863), Belgium, Namur, Han-sur-Lesse, 15.V1.1989; 3. Scoparia ambigualis (Treitschke, 1829), The Netherlands, Zeeland, Oostkapelle, 3-4.VI.1996; 4. Scoparia basistrigalis Knaggs, 1866 (after Wolff 1959).

Phegea 25 (1) (1.III.1997): 8

Figs. 5-7: Female genitalia of:

5. Scoparia conicella (de La Harpe, 1863), Belgium. Natuur, Flan-sur-Lesse, 15. VI. 1989, leg. A. Rieinis (Geu.

prep. 3744 .Ass);

6. Scoparia basisirigalis Knaggs, 1866, Turkey, Nevjehir, Ü(;hisar, 10 km NE Nev$eliir 1200 m, 5-7.VII.1982

(Geil. prep. 3747 Ass);

7. Scoparia atnbigualis (Treitsclike, 1829), Belgium, Narnur, Han-sur-Lesse, 15. VI. 1989, leg. A. Riemis (Gen

prep. 3766 Ass).

Phegea 25 (1 ) ( 1 .111. 1 997): 9

Leraut (1980) and Vives Moreno (1994) mention S. conicella (de La Harpe, 1863) abusively as a synonym of S. ambigualis (Treitschke, 1829). However, Leraut (1983) pointed out that S. conicella is distinct from S. ambigualis and that it has been found in France at Madone de Fenestre near St. Martin Vésubie in the Alpes-Maritimes by Marion in 1959. This record was reported as Scoparia perplexella Zeiler (Marion 1976).

S. conicella has already been mentioned once for the Belgian fauna as Scoparia sylvestralis Wolff, 1959: Saint-Vincent (Luxembourg) (Rosman 1983: 92). However, as far as I know, the genitalia of the specimen have never been checked.

Conclusion: S. conicella (de La Harpe, 1863) is probably overlooked in some European countries as well as in collections because of its resemblance with S. basistrigalis and S. ambigualis.

Acknowledgement

The author vividly thanks Mr. A. Riemis, Turnhout, Belgium and Mr. W. O. De Prins, Antwerpen, Belgium for the gift of the S and $ of S. conicella.

References

Leraut, P., 1980. Liste systématique et synonymique des lépidoptères de France. Belgique et Corse. Supplément a Alexanor et au Bulletin de la Société entomologique de France.

Leraut, P., 1983. Contribution a l’étude des Scopariinae 4. Révision des types décrits de la région paléarctique occidentale, description de dix nouveaux taxa et ébauche d’une liste des espèce de cette région. Alexanor 13: 157-192.

Marion, H., 1959. Révision des Pyraustidae de France. Alexanor 1:15 -23, PI. C.

Marion, H., 1976. Révision des Pyraustidae de France (suite). - Alexanor 9: 209-219, PI. T-U, XI.

Rosman, P., 1983. Essai d’inventaire des Pyrales de la Lorraine Beige et des régions avoisinantes (Lep. Pyralidae). - Linn.belg. 9: 90-102.

Slamka, F., 1995. Die Zünslerf alter (Pyraloidea) Mitteleuropas. Prunella Verlag, Bratislava.

Speidel, W., 1996. Pyralidae. - In: Karsholt, O. & Razowski, J. (Eds.): The Lepidoptera ofEurope: 166-196.

Vives Moreno, A., 1994. Catdlogo sistemdtico y sinonimico de los lepidópteros de la Peninsula Ibérica y Baleares (Insecta: Lepidoptera (Segunda Parte). Ministério de Agricultura, Pesce y Alimentation.

WolfT, N. L., 1959. Notes on some species of the genus Scoparia Hw. (s. str.) (Lep., Pyraustidae). Ent.Meddr 29; 179-192.

Phegea 25 (1 ) (1 .III. 1997): 10

Discestra salicorniae stat. rev. (Lepidoptera: Noctuidae)

Claude Wamotte & Willy De Prins

Samenvatting. Discestra salicorniae stal. rev. (Lepidoptera: Noctuidae)

Omwille van verschillen in de mannelijke genitalia en in de structuur van de antennes wordt Discestra salicorniae (DumonL, 1925) beschouwd als een aparte soort.

Résumé. Discestra salicorniae stat. rev. (Lepidoptera; Noctuidae)

Les difTércnces entrc les genitalia male et les antennes permettent de constater que Discestra salicorniae (Dumont, 1925) est une espèce distincte de D. sodae (Boisduval, 1829).

Key-words: Discestra salicorniae stat. rev. - Tunisia

Wamotte, C.; 107 rue des Meuniers, B-4041 Vottem.

De Prins, W.: Diksmuidelaan 176, B-2600 Antwerpen. (wdprins(®innet.be).

Discestra sodae (Boisduval, 1 829) is a halophilous atlanto-mediterranean species. In Europc it is known from France, Spain and Italy, though Berio (1985: 193) did not find any Italian specimens in the collections studied. Records from Greece and further eastwards are probably due to misidentifications as Hacker (1989) does not mention the species for Greece. In North Africa Discestra sodae has been recorded from Morocco, Algeria, Tunisia and Libya. Rungs (1981: 309) mentions three subspecies of D. sodae from Morocco: D. sodae sodae (North Morocco), D. sodae maroccana (Rungs, 1938) (Coastal region between Kenitra and Oued Tensift) and D. sodae rosacea (Rothschild, 1920) (south of the Atlas mountains).

The species has at least two broods per year: one in the Spring and another in Autumn. The Caterpillar feeds in May-June on Salsola, Limoniastrum monopetalum, Chenopodium maritimum. Rungs (1981: 309) writes that the caterpillars accepted also Suaeda fruticosa and Arthrocnemwn indicum when bred in captivity.

In his list of synonyms of Discestra sodae, Poole (1989: 325) mentions ''Scotogramma salicorniae Dumont, 1925”. However, our studies of the male genitalia and the antennae of the type-specimens preserved in the Musée national d’Histoire naturelle de Paris pointed out that Discestra salicorniae is specifically distinct from D. sodae, and that Discestra salicorniae raselaini is merely a synonym of Discestra salicorniae. Figures of the male genitalia of D. sodae can be found in Berio (1985: 193), Calle (1982, nr 134) and Monteiro (1972: 16). The male antennae of D. salicorniae have trapezoid segments with very short hairs (fig. 1), whereas thosc of D. sodae are differently shaped and haeea hairs as long as the width of the shaft (fig. 2).

Discestra salicorniae (Dumont, 1925) stat. rev. (plate 1, figs. 22-27)

"Scoiogramma salicorniae, n. sp." Dumont. 1925, Contribution a 1’étude des Lépidoptcres du Sahara-Nord-

Africain. Buil. Soc. ent. France 1925; 332.

Type-locality: “Tunisie, Tozeur”.

"Scotogramma salicorniae var. raselaini, n. var.” Dumont, 1925: Contribution a l’étude des Lepidoptères du

Sahara-Nord-Africain [Noctuidae] Buil. Soc. ent. France 1925; 333.

Type-locality; “Ras el aioun Tozeur" [Tunisia].

We designatc herc as Icctotype of ''Scotogramma salicorniae" the male, labelcd “Type” of which P. Viette has prepared the genitalia (Prép. No. 2672) (fig. 3) and as paralectotypes 19 labeled “Allotype” (handwriting P. Viette, teste Chr. Gibeaux) and IS of which the genitalia have been prepared by Ch. Boursin (Nos. M.P.7 and M.P.9) (figs. 4-9).

PhegealS{\){\.\\\.miy 11

Figs. 1-2: Central part of male antennae of 1. Discestra sodae (Boisduval, 1829), France, Narbonne; and 2. Discestra salicorniae (Dumont, 1925), Tunisia, Korba.

fiiUl . $>>( ,c<n^ Xï. 33 i

Fig. 3: Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Lectotype d', Tunisie, Tozeur, 21. VII. 1921, C. Dumont leg., MHNP.

Legend of plate 1 :

Figs. 1-9: Discestra sodae sodae (Boisduval, 1829)

1-3: France, Aude, Narbonne, 23-30. IX. 1995, leg. C. Wamotte.

4-5: Spain, Huesca, Monegros, Candasnos, 15. V. 1988, leg. C. Wamotte.

6: Spain, Zaragossa, Osera, 16. VII. 1991, leg. C. Wamotte.

7: Spain, Zaragossa, Bujaralos, 7.V1.1989, leg. C. Wamotte.

8: Spain, Monegros, Candasnos, 26.VI.1991, leg. C. Wamotte.

9: as fig. 6.

Figs. 10-18: Discestra sodae rosacea (Rothschild, 1920)

Morocco, env. Agadir, Emb. de Souss, 18.X.1990, leg. A. Legrain & C. Wamotte.

Figs. 19-21: Discestra sodae maroccana (Rungs, 1938)

Morocco, Atlantic Coast, Sidi Moussa between El Jadida and Oualidia, 1 1 and 21.X.1990, leg. A. Legrain & C. Wamotte.

Figs 22-27: Discestra salicorniae (Durrant, 1925)

Tunisia, env. Korba, 26.X.1989, leg. A. Legrain & C. Wamotte.

Phegea 25 (1) (1. III. 1997): 12

Plate 1

3

6

9

12

15

18

21

24

27

Phegea 25 (1 ) (1 .III. 1997): 13

Chr. GIBEAUX del prép. génit n“5511|

>Uc0^V'>ccé

4

Fig. 4; Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Paralectotype 9. Tunisie, Tozeur, 8. IV. 1921, leg. C. Dumont, MHNP.

Fig. 5: Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Paralectotype 9. Tunisie, Tozeur, 8. IV. 1921, leg. C. Dumont, MHNP, genitalia (Prép. gén. Chr.G 5511).

Phegea 25 (1) (1. III. 1997): 14

Fig. 6: Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Paralectotype Tunisie, Tozeur, 25. IV. 1921. leg. C. Dumont. MHNP.

Fig. 7: Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Paralectotype Tunisie, Tozeur, 25. IV. 1921, leg. C. Dumont, MHNP, genitalia (Prép. gén Ch.B. 7).

Fig. 8: Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Paralectotype '5^, [Tunisie, Tozeur] 13.V.1932, leg. C. Dumont, •MHNP.

Phegea 25 {]){].\\\.\991): 15

Fig. 9; Discestra salicorniae (Dumont, 1925). Paralectotype c5', [Tunisie, Tozeur], 21.V.1932, leg. C. Dumont, MHNP, genitalia (Prép. gén. Ch.B. 9).

ivs', j.3n

Chr. GIBEAUX det ^ prép. génit n°55w

mmm fim

mm

Fig. 10; "Scotogramma salicorniae var. raselaini' Dumont, 1925. Lectotype S, Tunisie, Tozeur. Ras el Aïoun, 9.1V.1921, leg. C. DumonU MFHST.

Phegea2S{\){\.\\\.miy. 16

Fig. 11: "Scotogramnui saiicornuw \ar /asclaim' Duinwiit. Iv2.‘' 1 CLtol.pc . Funisie, Tozeur, Ras al Aïoun, 9. IV. 1921, leg. C. Dumont, MUNP, geniialia (Prép. gén. Chr. G. 5510).

Chr. GIBEAUX det prép. génit n°55%

Fig. 12: "Scotogramma salicornae var. raselaini' Dumont, 1925. Paralectotype i, Tunisie. Tozeur. 27. IV. 1921. leg. C. Dumont, MFFNP.

We designate here as lectotypc of Scotogramma salicorniae var. raselainT the male, labeled “Type” of which Chr. Gibeaux has prepared the genitalia (Prép. génit. no. 5510) (figs. 10-11) and as paralectotype the femalc labeled “Allotype” (handwriting P. Viette, testc Chr. Gibeaux) of which Chr. Gibeaux has prepared the genitalia (Prép. génit. no. 5512) (figs. 12-13).

Fhegea 25 (1) (1 .111.1997): 17

Fig. 13: "Scotogramma salicornae var. raselaim' Dumont, 1925. Paralectotype ï. Tunisie, Tozeur, 27. IV. 1921, leg. C. Dumont, MHNP, genitalia (Prép. gén. Chr. G. 5512)..

Acknowledgements

We would like to thank Dr. A. Legrain (Liège) for the loan of material and Dr. S. Ulenberg for allowing access to the collections in the Instituut voor Systematiek en Populatiebiologie (Zoological Museum), Amsterdam. We especially would like to thank Chr. Gibeaux (Paris) for the help in obtaining and photographing the type-specimens of Scotogramma salicorniae and S. salicorniae raselaini, and preparing the female genitalia of these taxa.

References

Berio. E.. 1985. Lepidoptera Nociuidae. J Generatila Hadeninae Cuculimae [sic!]. Edizioni Calderini, Bologna. 970 p.. 32 plates.

Boisduval, J. A.. 1829. Europaeorum Lepidopterorum Index Methodicus. Paris. Plassan, 103 p.

Calle, J. A., 1982. Noctuidos espanoles. Ministerie de .Agricultura. Pesca y Alimentación, 430 p.

Dumont, C., 1925. Contribution a 1’étude des Lépidoptères du Sahara-Nord-Africain [Noctuidaej. Bull.Soc.ent.Fr. 1925:331-335.

Hacker, H., 1989. Die Noctuidae Criechenlands mit einer Übersichl über die Fauna des Balkanraumes (Lepidoptera. Noctuidae). Herbipoliana Buchreihe zur Lepidopterologie Band 2, Marktleuthen, 589 p.

Phegea 25 ( 1 ) ( 1 .III. 1 997): 18

Monteiro, T., 1972. Discestra pedrosae, n sp.: un Noctuidac nouveau pour la Pcninsule ibérique et quatre autres nouveaux pour Ie Portugal (Lep. Noctuidae). Publ^öes Inst.Zool.Dr.Augusto Nobre 115: 9-26.

Poole, R. W., 1989. Noctuidae. In: Hcppner, J. B. (ed.): Lepidopferorum Catalogus (New Series) Fascicle 118. 3 parts. E. J. Brill/Flora & Fauna Publications, Leiden. New York. Kebenhavn, Köln, 1314 p.

Rambur, J.P., 1829. Notice sur plusieurs espèces de Lcpidoptères nouveaux du midi de la France. Annls Sci.Obser\’ 2: 255-268, 2 plates.

Rungs, C. E. E.. 1981. Catalogue raisonné des Lépidoptères du Maroc. Inventaire faunistique et observations écologiques. Tomé II. Institut Scicntifique Charia Ibn Batouta, Rabat. 588 p.

/^/tegca25(l)(l.III.1997): 19

Een merkwaardige copulatie

Willy Van dc Vijver

Op 16 Juli 1996 nam ik aan dc rand van het Trasimeno-meer nabij Tuoro (Umbria, Italië) de wel zeer merkwaardige copulatie waar tussen een S Zygaena filipendulae Linnaeus en een 9 Amata phegea Linnaeus (zie foto). Hoewel beide soorten tot verschillende families behoren, bleken ze technisch in staat een copulatie tot stand te brengen.

Figuur: Copulatie van Zygaena filipendulae Linnaeus met Amata phegea Linnaeus, Italië, Lfmbria, Trasimeno-meer, bij Tuoro, 16.V1I.1996 (foto: W. Van de Vijver).

Phegea 25 ( 1 ) ( 1 .111. 1 997): 20

Stigmella aurelia and Luffia lapidella f.fercltaultella, new species for the Azores (Lepidoptera: Nepticulidae, Psychidae)

Hans Henderickx

Samenvatting. Stigmella aurelia en Lujjia lapidella f. ferchaultella, nieuwe soorten voor de Azoren (Lepidoptera; Nepticulidae, Psychidae)

Tijdens een expeditie in juli 1994 werden bladmijnen van Stigmella aurelia (Fabricius, 1775) verzameld op Rubus op het eiland Sao Miguel en Terceira (Azoren). Op dezelfde eilanden, alsook op Pico en Faial, werden verscheidene kokers verzameld van Luffia lapidella (Goeze, 1783) f. ferchaultella (Stephens, 1850). Beide soorten worden hier voor het eerst van de Azoren vermeld.

Résumé. Stigmella aurelia et Luffia lapidella f. ferchaultella, espcces nouvelles pour les A?ores (Lepidoptera; Nepticulidae, Psychidae)

Pendant une expédition en juillet 1994, des mines de Stigmella aurelia (Fabricius, 1775) furent ramassées sur Rubus dans les iles de S^o Miguel et Terceira (Afores). Sur ces mêmes ïles. ainsi que sur Pico et Faial. plusieurs fourreaux de Luffia lapidella (Goeze, 1783) {.ferchaultella (Stephens, 1850) furent collectionnés. Ces deux espèces sont mentionnées ici pour la première fois des Afores.

Kcy words: Azores - Sao Miguel - Terceira - Pico - Faial - faunistics - Stigmella aurelia - Luffia lapidella. Henderickx, H.: Hemelrijkstraat 4, B-2400 Mol.

During an expedition in July 1994 lepidopterous leafmines were collected on four of the islands of the Azores archipelago. On 22 July some Stigmella mines were collected on Rubus sp. growing on the banks of the Lagoa Verde en the Lagoa do Fogo on the island of Sao Miguel (Sete Citades). On 24 July similar mines were found in the Serra de agua de Pau (Sao Miguel) and some days later on the slopes of a crater on the island of Terceira. No Stigmella species at all have been mentioned from the Azores before (Vieira & Pintureau 1993).

From these mines 19 adults emerged between 6 and 9 August. The extemal morphology (hairs on front and head, pattem on forewing) and the genital structure (fig. la) point to Stigmella aurelia (Fabricius, 1775) and also the frass and the mine accord well with this species. S. aurelia is distributed all over Europe, mining Rubus. The species is mentioned here for the First time from the Azores. In January 1996, mines of the same species were collected on the island of Madeira (Portela). However, they did not produce any adults.

On the Azores archipelago, I studied the occurrcnce of Psychidae. On the islands of Pico, Faial, Terceira and Sao Miguel the typical conical cases of Luffia species were discovered close to the seashore on stony walls, tree trunks and houses covered with lichens and mosses, where the larvae found shelter in crevices. They were most often found in places with fems and climbing-plants which created a moist microclimate. Already at an altitude of 100 m the species was absent and it was not found on the crater slopes either. To the contrary, on Madeira, Porto Santo and the Canary islands, 1 found Lujfia species at an altitude between 400 and 600 m. In the list of Vieira & Pintureau (1993) only one record of a Psychidae case is reported; the description of a larval case by Rebel (1940) which was found by Stara mid May at Ponta Dclgada (Sao Miguel), and which Rebel determined (using only the size as a character!) as Luffia rebeli Walsingham, 1908, an endemic species from the Canary islands.

Phegea 25 ( 1 ) ( 1 .111. 1 997): 21

Fig. 1 ; Stigmella aurelia (Fabricius, 1775), male genitalia

la. Setc Citados (S2o Miguel), larva on Rubus 22. VII. 1994, imago 9. VIII. 1994.

lb. Genitalia drawn after Johansson et al. (1990) for comparison.

On Terceira (Biscoitos) 1 collected larval cases of Luffia on 16 and 17 July 1994, on Pico (Madalena) on 6 July 1994, on Sao Miguel (Faja de Baixo) from 22 to 26 July 1994 and on Faial (Horta) from 9 to 1 1 July 1994. I obtained adults from all these islands from 15 July 1994 till 7 September 1994. All specimens were females, which started laying eggs in their larval case immediately after emerging. Two egg clusters from Faial (Horta) hatched after 28 days, while male specimens were absolutely absent, thus proving the parthcnogenetic reproduction of this population. The morphology of the female (fig. 2), especially the merged tarsi, is identical to that of the parthcnogenetic form f.ferchaultella (Stephens, 1850) of Luffia lapidella (Goeze, 1783), a widespread species in Europe, including the British isles. It is also the opinion of P. Hattenschwiler (in litt.) that this is the species on the Azores. The occurrence on the Azores could bc explained by the rather intensive contacts with the continent after the colonization of the archipelago. The parthcnogenetic form of L. lapidella, together with an Apterona species which was found

Fhegea 25 (1) (1.111.1997): 22

on the island of Porto Santo', are the only representatives of the family Psychidae on the northem Macaronesian archipelago.

Fig. 2: Luffia lapidella (Goeze, 1783) ï. ferchaultella (Stephens, 1850), female adult, Madalena (Pico), 8.VII1.1994.

References

Johansson, R.. Nielsen, E.S., van Nieukerken, E.J. & Gustafsson, B., 1990. The Nepticulidae and Opostegidae (Lepidoptera) ofNorth West Europe. - Fauna Entomologica Scandinavica 23 (2 parts), E.J. Brill, Scandinavian Science Press Lid.

Rebel, H., 1940. Die Lepidopterenfauna der Azorischen Archipels. Societas Scientarum Fennica. Commentationes Biologicae VIII (1): 45.

Vieira, V. & Pintureau, B., 1993. Comparative diversity of Lepidoptera (Insecta) in the islands of the Azores: revision with new information. Arquipélago, Life and Marine Sciences 1 IA: 107-1 12.

' About 200 larval cases of Apterona with empty female exuvia, collected by HenderickA and Verkerk on Pico do Castelo, 200 m, 17 January 1996, probably belong to the parthenogcnctic species Apterona helicoidella (Vallot, 1827).

PhegealS{\){\.\\\.mi): 23

Boekbesprekingen

Emmet, A. M. (Ed.): The Moths and Butterflies of Great Brilain and Ireland. Volume 3 Yponomeutidae - Elachistidae.

20 X 25,5 cm, 452 p., 9 kleurenplaten, 8 zwartwit-platen, 240 verspreidingskaarten, 109 tekstfiguren. Harley Books, Martins, Great Horkesley, Colchcstcr, Essex C06 4 AH. England, 1996. gebonden editie £75.00 en paperback editie £37.50 (ISBN gebonden 0-946589-43-7, paperback 0-946589-56-9).

In het derde deel van deze prachtige reeks worden enkele families van de zogenaamde Microlepidoptera behandeld, waarvan men niet al teveel determinnertabellen vindt: Yponomeutidae, Epermeniidae,

Schreckenstciniidae, Coleophoridae en Elachistidae. Zoals het in de reeks de gewoonte is, komt er vooraan een algemeen hoofdstuk over een of ander entomologisch onderwerp. Deze keer is dat “Invasions of Lepidoptera into the British Isles” door D. Agassiz. Op een reeks kaartjes uit verschillende jaren, kan men de uitbreiding aflezen van een aantal soorten Lepidoptera.

In het systematisch gedeelte is elke familie op de gebruikelijke manier behandeld. Eerst volgt er wat algemene informatie over de familie met daarachter een checklist en één of meer determineertabellen tot op de soort. Van elke soort wordt de wetenschappelijke naam vernield en de referentie naar de oerbeschrijving, alsook een lijstje van de synoniemen. Het imago wordt duidelijk beschreven. In het stuk over de biologie volgen achtereenvolgens: ei. voedselplant en rups, pop en vliegtijd. In enkele gevallen wordt de levenswijze van de soort voor het eerst gepubliceerd. De verspreiding in Groot-Brittannië en Europa worden kort aangegeven; ze wordt visueel voorgesteld op een verspreidingskaartje.

Bij vele groepen staan tekeningen van de genitalia, de vleugeladering, de kop, de voelspriet e. d. De 8 platen met tekeningen van de larvezakken van Coleophoridae zijn van de hand van R. Lewington en behoren waarschijnlijk tot de mooiste ooit gepubliceerd. Ook de 9 kleurenplaten met aquarellen van imago’s zijn door R. Lewington geschilderd en buitengewoon prachtig.

Het boek eindigt met een uitgebreide literatuurlijst en alfabetische indexen van de behandelde taxa en van de voedselplanten. Zowel de gebonden als de paperback editie zijn bijzonder keurig uitgegeven. Iedereen die zich voor de Europese Lepidoptera interesseert, moet deze boeken beslist bezitten. Vooral voor wie zich met Microlepidoptera bezig houdt, is dit boek een absolute must.

Willy De Prins

De Knijf, G. & Anselin, A.: Een gedocumenteerde Rode lisjt van de libellen van Vlaanderen.

17 X 24 cm, 190 p., 5 kleurenfoto’s. Instituut voor Natuurbehoud, Kliniekstraat 25, 1070 Brussel, gebonden. 1996. 450,- BEF (ISBN 90-403-0061-5).

In dit vierde nummer in de reeks “Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud” worden de libellen in Vlaanderen behandeld. Uit deze Rode lijst blijkt dat niet minder dan 60% van de 65 inheemse libellensoorten bedreigd zijn. De meer dan 25.000 gegevens die als basis dienden voor de huidige studie, werden bijeen gebracht door de vele medewerkers van de Belgische Libellenwerkgroep Gomphus.

In de algemene inleiding worden het doel en het gebruik van rode lijsten aangegeven en de gebruikte methoden besproken. Het grootste deel van de publicatie wordt ingenomen door een gedetailleerde bespreking van de individuele soorten, steeds volgens dezelfde onderwerpen: verwijzing naar detemiineerwerken, verspreiding in Europa en Vlaanderen, Ecologie (leefgebied, larvenbiotoop, ei-afleg, ei- en larvale ontwikkeling, vliegtijd), status, bedreigingen en bescherming.

Bij de algemene bespreking volgt een vergelijking met andere organismen, enkele aspecten van de bescherming van libellen, een bespreking van de meest bedreigde leefgbieden van libellen, het voorkomen van de Rode iijst-soorten in Vlaanderen en een vergelijking met de Rode lijsten in onze omringende gebieden. Het boek eindigt met een literatuurlijst, een checklist van de libellen in Vlaanderen, een lijst van de medewerkers en een alfabetische index.

De publicatie is verlucht met 2 kleurenfoto’s van adulte libellen en 3 biotoopopnamen. Op twee tekeningen wordt duidelijk gemaakt hoe men door de verschillende aanleg van eenzelfde vijver een libellenvriendelijk biotoop kan creëren. Op 5 verspreidingskaartjes (5 x 5 km) wordt het voorkomen van de verschillende Rode lijst- categorieën aangegeven.

Het boek is keurig verzorgd uitgegeven en kan bij het Instituut voor Natuurbehoud t.a.v. de Bibliotheek besteld worden.

Willy De Prins

Phegea 25 ( 1 ) ( 1 .III. 1 997): 24

A new species of Thyridanthrax from Southern Greece, Pelopónnisos (Diptera: BombylUdae)

J. Dils & G. Van De Weyer

Samenvatting. Een nieuwe Thyridanthrax-soon uit Zuid-Griekenland, Pelopónnisos (Diptera; Bombyliidae)

Op de Pelopónnisos werden 109 exemplaren van een nieuwe Thyridanthrax-soorX verzameld die hierna wordt beschreven.

Résumé. Une nouvelle espèce de Thyridanthrax du sud de la Grèce, Péloponnèse (Diptera: Bombyliidae) 109 exemplaires d’une nouvelle espèce du genre Thyridanthrax furent capturés dans Ie Péloponnèse. Cette nouvelle espèce est décrile ci-dessous.

Key-words: Thyridanthrax kolokotronis sp. n. - Bombyliidae - Greece.

Dils, J.: Krckelberg 149, B-2940 Stabroek..

Van de Weyer G.: Unolaan 69, B-2620 Hemiksem.

During an early summer expedition from late May to late June 1995, 109 specimens of an unknown taxon of the genus Thyridanthrax were collected by the first author. A careful comparison with other Thyridanthrax Osten-Sacken, 1886 and Exoprosopa Macquart, 1840 material from the Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (K.B.I.N.), Brussels and the Instituut voor Systematiek en Populatiebiologie (Zoölogisch Museum), Amsterdam, (I.T.Z.), the collection of the Vlaamse Vereniging voor Entomologie (V.V.E.), Antwerpen, the author’s private collection and the original descriptions of all Thyridanthrax species, revealed that the specimens belong to a new species. Special attention was paid to the comparison with Thyridanthrax unctus (Loew, 1869), which also occurs on the Pelopónnisos and Thyridanthrax agnitionalis (Austen, 1937) described from Israël.

Although the specimens have minute spines on the front leg tibia (a character usually attributed to the genus Villa Lioy, 1 864), we place them under the genus Thyridanthrax. The shape of the penis supports such an arrangement.

Thyridanthrax kolokotronis sp. n.

Holotype: d*, Greece, Pelopónnisos, Arkadia, Manthirea, 600 m, 30. V. 1995, in coll. J. Dils.

Paratypes: 72d + 379: 29, Pelopónnisos, Ilia, Pirgos, 100 m, 28. V. 1995; 2<S, Pelopónnisos, Ahaia, Sella, 500 m, 30.V.1995; 43d, Pelopónnisos, Arkadia, Manthirea, 600 m, 30. V. 1995; 49, Pelopónnisos, Arkadia, Manthirea, 600 m, 31. V. 1995; 29, Pelopónnisos, Arkadia, Manthirea, 600 m, 15. VI. 1995; 2lS, Pelopónnisos, Arkadia, Alepohori, 850 m, 15. VI. 1995; 289, Pelopónnisos, Arkadia, Alepohori, 850 m, 15. VI. 1995; l9, Pelopónnisos, Lakonia, Taygetos Oros, 900-1600 m, 16. VI. 1995.

Paratypes deposited in the collections of J. Dils, K.B.I.N. (Brussels) and I.T.Z. (Amsterdam).

The head, thorax, legs and wings of both sexes are described together, because sexual dimorphism was only noted in the abdomen.

1. Head: Face bluntly conical; ground colour black; dent in frons (nearly always round), median between antennae and ocellar tubercle. Clypeus with minute hairs, slate- grey pollinose. Gena, face, frons and ocellar tubercle with thick erect black hairs, those on the centre of the face are shorter. Face and lower part of frons sparsely covered with adjacent reflecting yellowish scales. Occiput clothed with minute black and ochreous hairs, near the bisection of the eye margin the same scales as on the face and lower frons, cavity with longer erect fox-red hairs. Antennae, first segment broad with long, second

Phegea 25 (1) (1 .111.1997): 25

segment with shorter bristle-Iike hairs, third segment pear-shaped, bald, with style half as long as the third segment. Third segment slightly longer than the sum of first and second.

2. Thorax: Mesonotum black-brown, clothed with buff hair, short on dorsum (where they are mixed with erect black hairs, as long as the third segment of antenna) long on collar, humeri, notopleuron and post-allar callosity. Upper half of mesopleuron, pteropleuron and metapleuron buff, hairs longer than antennae, lower half more scarcely covered with black hairs. Plumula buff, hypopleuron bald. Prostemum, mesostemum and coxa clothed with long black hairs. Supraalar, intraalar, postalar and scutellar bristles black. Scutellum ground colour black with brown pattem, long buff hairs and adjacent black scales.

3. Legs: Black, femur clothed with black scales, fl ventral with black hairs, f2 and B ventral with hairs and 7 to 10 strong bristles, tl with minute spines, ventral with short dark-brown hairs, t2 and t3 with strong long bristles, tarsi ventral with minute spines, claws without pulvilli or thom at the base.

4.1. Abdomen: Male: Ground colour black with adjacent black scales, only first tergite without adjacent black scales, lateral with erected light-buff hairs reaching the middle (here sometimes a few black hairs) of the tergite. Second tergite with fine erect buff and black hairs, sides anterior with buff and posterior with black hairs. T3, T4, T5 with erect black hairs, mixed with a few light-coloured hairs, latera! with black brushes, larger triangles of white scales on side of T3 than on T4, not reaching the middle of the tergite. T6 lateral with black and white brush, T6 and T7 black adjacent scales, covered by a mirror of white scales and scattered white hairs. Stemits black, scarcely clothed with black hairs and scales. Epipyg, epandrium big, dark brown with scattered erect light and dark hairs.

4.2. Abdomen: Female: All markings as in the male, with exception of the abdominal white scaling, triangles, not reaching the middle of the tergites on the sides of T2, T4, T6 and T7. On T3 the white scales are forming a band, nearly covering half the tergite and only in fresh specimens the band reaches the middle of the tergite. On T6 and T7 black hairs, instead of white as in the male. In denuded specimens, mostly, the white scales of T6 and T7 are remaining.

5. Wings: Costa anterior with black spines, ending on thoracle squama, costal hook and prebasicosta black, well-developed. Veins Cu2 and distal part of r5 light-brown, for the rest black. Subcostal cell, first basal cell, basal area and squamae filled yellow-brown, the same colouration along third longitudinal vein and first anal vein. Squamae fringed with light-buff scales. Dirty brown pattem from apex of r2+r3 across to ml half way between r-m and the base of r4, where it enters the discoidal cell becoming vague posteriorly, filling first basal cell and the posterior area of the second basal cell. Anterior branch of the third vein always hearing an appendix bending basally. Halteres, knobs ivory-yellow, stalks light-brown with two or three black hairs.

Phegea 25 (1) (1 .111.1997): 26

Figs. 1-5: Male genitalia of paratype of Thyridanthrax kolokotronis ip. n.; Greece, Arkadia, Alepohóri, 850 m, 15.VIII.1995, leg. etcoll. J. Dils, (Prep. 2502 JGC); 1. Genitalia in lateral view, 2. Tegumen, 3. Valva, 4. Aedeagus in ventral view, 5. Aedeagus in dorsal view.

6. Measurements:

Total length : S from 9.2 mm to 13.1 mm, $ from 9.0 mm to 10.7 mm. Total width: S from 20.5 mm to 24.6 mm, j from 20.3 mm to 30.6 mm. Wing length: from 9.79 to 1 1.32 mm, 9 from 9.64 mm to 1 1.63 mm.

Phegea 25 (1) (1. III. 1997): 27

Plate 1

P/jegea 25 (1) (1.111,1997); 28

Diagnostic characters

Thyridanthrax kolokotronis sp. n. resembles Thyridanthrax agnitionalis (Austen, 1937) and Thyridanthrax unctus (Loew, 1869). Main differences are:

with Thyridanthrax agnitionalis {Austen, 1937)

Head: the third segment of the antennae are conical. The colouration of the first and second segments is black above and cinnamon below.

Thorax: metapleural fan white.

Abdomen: sides of first tergite white, no white mirror at extremity of abdomen, with Thyridanthrax unctus (Loew, 1 869)

Head: edge of mouth and first two segments of antennae ground colour yellow.

Thorax: hairs on upper half more white, white scales near wing base, pleurae light clothed, plumula white.

Legs: yellow-brown.

Wings: costal hook light-brown, prebasicosta with white scales.

The genitalia of Exoprosopa telamon (Loew, 1869), figured by Engel (1932-1937), bear a striking resemblance to those of Thyridanthrax kolokotronis sp. n. They are considered remarkable for their structure - “höchst eigenartig gebaut”! However, the extemal morphology of both species is quite different.

Adaptation of the Thyridanthrax key in Engel (1932-1937)

We suggest to adapt the key on page 526 (number 20) by adding the following:

20. A) Flügel ohne schwarzliche Flecken an der Queradem.

Die f beim S und $ f fast schwarz. Abdomen beim S mit ausgesprochen weissen

Spiegel an 6. und 7. Tergite und $ kolokotronis Dils & Van de Weyer.

B) Flügel mit schwarzliche Flecken an der Queradem.

-Schwarzliche Flecken liegen an S und $ stigmulus Klug.

-Ausser den bei stigmulus genannten Flecken <S und $ irrorellus Klug.

Behaviour

The adults visit flowers, especially Asteraceae (Compositae), in arid places as well as in flowery meadows and grassy places in orchards. They sit with open wings, with the white mirror of the males always conspieuous.

Legend of plate 1:

Thyridanthrax kolokotronis sp. n.

1. Paratype c?, Greece, Pelopónnisos, Arkadia, Manthirea, 600 m, 30.V.1995.

2. Paratype y. Greece, Pelopónnisos, Lakonia, Mt. Taygetos, 16.V1.1995.

3. Same as 1, enlarged, abdomen showing white mirror.

4. Same as 2, enlarged, abdomen showing white pattem.

5. Holotype -T lateral view, Greece, Pelopónnisos, Arkadia, Manthirea, 600 m, 31.V.1995.

6. Same as 1, detail of head.

Phegea 25 (1) (1.111.1997): 29

Etymology

The species is named after Theodoros Kolokotronis, a Greek leader, bom in the village Dimitsana on the Pelopónnisos, in the province of Arkadia, where most of the flies where found.

Acknowledgements

We wish to thank the following persons and museums for their kind co-operation: Mr. L. CrevecoEur and Mr. W. De Prins for taking the photographs, Mr. J. G. Coutsis for making the drawings of the genitalia, Mr. W. De Prins, Mr. D. van der Poorten and Dr. T. W. Tolman for critical comments on the manuscript, Dr. P. Grootaert (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen), Dr. J. P. Duffels (Instituut voor Systematiek en Populatiebiologie, Amsterdam) for allowing access to the collections.

References

Austen, E. E., 1937. Bombyliidae of Palestine. The Tmstees of the British Museum (N. H.). London. 1 88 pp. Engel. E. O., 1932-1937. Bombyliidae. In: Lindner (Hrsg.); Die Fliegen der palaörkischen Region Bd. IV (3); 1-619.

Fran^ois, F., 1972. Révision taxonomique des Bombyliidae du Senegal (2ième partie).

Buil. Inst.r.Soc.Sci. nat. Belg. 1972 (48): 1-31.

Huil, F. M.. 1973. Bee flies of the world. The genera of the family Bombyliidae. Smithsonian Institution Press. Washington. 687 pp.

Soos. A. & Papp, L., 1989. Catalogue of Palaearctic Diptera. Volume 6, Hungarian Natural History Museum, Zoological Department, Budapest, Hungary.

Zaitsev, V. F., 1988. Bombyliidae. In: Bei-Bienko, G. Y. (Ed.). Keys to the insects of the European part of the USSR. V part 1 . (English translation). Amerind publishing comp. P.V.T. Ltd. New Dehli.

Phegea 25 (1) (1. III. 1997); 30

Geometridae of Turkey 6. Description of a new species from eastern Turkey in the genus Scotopteryx Hübner (Lepidoptera: Geometridae)

Alex Riemis

Samenvatting; Geometridae uit Turkije 6. Beschrijving van een nieuwe soort in het genus Scotopteryx Hübner (Lepidoptera; Geometridae).

Uit Noordoost-Turkije wordt een nieuwe soort beschreven in het genus Scotopteryx Hübner; Scotopteryx diana

sp. n..

Résumé: Geometridae de Ia Turquie 6. Description d’une nouvelle espèce du genre Scotopteryx Hübner en provenance de Turquie oriëntale (Lepidoptera; Geometridae).

Une nouvelle espèce capturée dans 1’est de la Turquie, est décrite; Scotopteryx diana sp. n.

Key words: Scotopteryx diana sp. n. - Turkey.

Riemis, A.; Rerum Novarumlaan 41, B-2300 Turnhout, Belgium.

Introduction

In his distribution list of the Geometridae of the USSR, Viidalepp (1977) mentions Scotopteryx alpherakii (Erschov, 1 877) from the Caucasus and Transcaucasia. Vardikjan (1985) mentions the species from Armenia. As an extension of this distribution range, 1 found S. alpherakii in the provinces Erzurum, Gümü§hane and Artvin in the north-east of Turkey (Riemis 1996).

Scotopteryx nebulata (Bang-Haas, 1907) is another Turkish species related to S. alpherakii. Bang-Haas described this species after one male collected in 1907 in Aintab. The present-day name of Aintab is Gaziantep, hence this species has to be added to the list of Turkish Geometridae.

Willy De Prins collected some Scotopteryx specimens, which correspond in every respect to the description of Scotopteryx nebulata, in the following localities in the Taurus mountains:

Nigde, Aladaglari, W. side, 15 km S.E. of Camardi, 1900 m, Emli Bogazi;

31.VII.1995: 9 ex.,

Nigde, Aladaglari, 1600 m, Demirkazik köy, 24/25.VII.1994: 1 ex.

Unfortunately, all these specimens are males, so the female remains unknown.

On 22 July 1993, I collected 4 specimens of a Scotopteryx species in my moth trap placed on the Kop Dag, Bayburt. This species, belonging to the alpherakii group, differs in such a way from all other species of that group, that a description of it as a new species is justified. I name this species Scotopteryx diana sp. n.

Scotopteryx diana sp. n.

Holotype (5', Turkey, Bayburt, Kopdagi Gc9idi, West side, 2400-2600 m, 22.VII.1993, leg. A. Riemis, deposited in the Instituut voor Systematiek en Populatiebiologie (Zoölogisch Museum), Amsterdam; paratypes, same data as holotype, coll. A. Riemis.

Description. Male: mean forewing length: 18.30 mm (min. 17.40 mm, max. 18.90 mm). Antennae bipectinate.

Upperside forewing: groundcolour ochreous-yellow. Postmedian, antemedian, subbasal and subterminal fasciae are heavily dentate and are greyish-white. Terminal area outside of the postmedian fascia darker than ground colour. Black discal spot surrounded by a pale grey circle. Area between antemedian and postmedian fasciae with a kidney- shape figure at dorsum.

Phegea 25 (1) (1 .111.1997): 31

Plate 1

/"/!eg6'a25(l)(l.I!I.1997):32

Fig. 1.: Scotopteryx diana sp. n., paratype, male genitalia; Turicey, Bayburt, Kopdagi Ge^idi Westside, 2400-2600 m, 22.VII.1993, leg. etcoll. A. Riemis. (Gen. prep. AR873).

Upperside hindwing: basal area very pale ochreous. Terminal area outside the whitish postmedian fascia slightly darker. Discal spot absent.

Underside forewing: unicolorous pale ochreous-yellow at area basad to postmedian fascia. Terminal area outside the postmedian fascia slightly darker. Only the subterminal fascia is slightly visible. Discal spot present.

Underside hindwing: slightly paler as basal part of underside forewing. Discal spot present. Without further distinct markings.

Female: unknown.

Male genitalia: the aedeagus (fig. 1) is different in form from that of S. nebulata (fig. 2). It is different ffom that of S. alpherakii in the comuti of the aedeagus (fig. 3). The most obvious differences with the two other related species can be found in the form of the juxta and the gnathos.

Legend of plate 1

Figs. 1-3 (upperside), 10-12 (underside): Scotopteryx diana sp. n. paratypes, Tuikey, Bayburt, Kopdagi Gepidi, Westside, 2400-2600 m, 22.V11.1993, leg. et coll. A. Riemis.

Figs. 4-6 (upperside), 13-15 (underside): Scotopteryx alpherakii (Erschov, 1877), Turkey, Artvin, Kalkar Daglan, 30 km SW Sangöl, Yaylalar, 2000 m, 1 5/1 8.VII. 1991, leg. et coll. A. Riemis.

Figs. 7-9 (upperside), 16-18 (underside): Scotopteryx nebulata (Bang-Haas, 1907), Turkey, Nigde, Aladaglan, Westside, 15 km SE Camardi, 1900 m, 31. Vil. 1995, leg. W. De Prins, coll. A. Riemis.

Phegea 25 (1) (1.III.1997): 33

Figs. 2-3: Male genitalia of 2. Scotopteryx nebulata Bang-Haas, Turkey, Nigde, Aladaglan Westside, 15 km SE Camardi, Emli Bogazi, 1900 m, 31. VII. 1995, leg. W. De Prins coll. A. Riemis (Gen. Prep. AR1021); 3. Scotopteryx alpherakii Erschov, Turkey, Artvin, Kalkar Daglan, 30 km SW Sangöl, 2000 m, 15-18. VII. 1991, leg. et coll. A. Riemis (Gen. Prep. AR166).

Scotopteryx diana sp. n. can easily be distinguished from the related species S. alpherakii and S. nebulata by its much paler groundcolour, the form of the postmedian fascia, and the kidney-shaped pattem at the dorsum of upperside forewing.

Distribution: So far known only from the type-locality.

Etymology: Scotopteryx diana sp. n. is named after my daughter Diana, as a gratitude for her help, her never-ending support and encouragements with my field work.

Acknowledgements

I wish to express my thanks to Willy De Prins, Antwerpen, for his regular collecting activities of Geometridae during his entomological expeditions in Turkey. I am also very grateful to him for the drawings of the genitalia and some practical advice.

References

Bang-Haas, O., 1907. Neue oder wenig bekannte Palearktische Macro-lepidopteren. Dt.ent.Z.Iris 20: 82-83. Riemis, A., 1996. Geometridae of Turkey 5. Data on 38 new Turkish Geometridae species. Phegea 24; 83-87. Vardikjan, S. A., 1985. Atlas of the genital apparatus of Armenian Geometridae. An.Arm.SSR Press, Erevan. Viidalepp, J., 1977. A list of the Geometridae of the USSR. Ent.Obozr. 56: 564-576. (In Russian).

Phegea 25 ( 1 ) ( 1 .111. 1 997): 34

Review of the distribution of the Balkan endemic Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Lepidoptera: Lycaenidae), with notes on its sympatry with related species

Zdravko Kolev & Dirk van der Poorten

Summary. All available data on the distribution and biology of the Balkan endemic Polyommatus aroaniensis (Brown, 1976) is reviewed. With the addition of previously unpublished records from ex-Yugoslav Macedonia and Southwest and central-East Bulgaria, it is shown that the range of this species may extend much farther north- and eastward than previously believed.

Samenvatting. De verspreiding van de Balkan endeem Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Lepidoptera; Lycaenidae) met gegevens over het sympatrisch voorkomen met verwante soorten.

Alle bekende gegevens over de verspreiding en de biologie van de voor de Balkan endemische Polyommatus aroaniensis (Brown, 1976) worden opgesomd. De soort wordt nieuw vermeld uit ex*Joegoslavisch Macedonië. Samen met aanvullende gegevens uit Zuidwest- en Oost-Bulgarije blijkt het verspreidingsgebied zich hierdoor verder naar het noorden en oosten uit te strekken dan tot nu toe werd aangenomen.

Résumé. La répartition de l’endémique balkanique Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Lepidoptera: Lycaenidae) et données sur la sympatrie avec des espèces voisines.

Toutes les données publiées sur la répartition et la biologie de l’espèce endémique balkanique Polyommatus aroaniensis (Brown, 1976) sont énumérées. L’espèce est mentionnée pour la première fois de la Macédoine ex-yougoslave. Avec de nouvelles données du sud-ouest et de 1’est de la Bulgarie 1’aire de répartition de cette espèce semble s’étendre plus vers Ie nord et 1’est que l’on ne 1’a supposé jusqu’i présent.

Key words: Lycaenidae - Polyommatus - Agrodiaetus - aroaniensis - distribution - Balkans - ecology. Kolev, Z.: Department of Ecology and Systematics, University of Helsinki, FIN-00014 Helsinki, Finland. (kolev@cc.helsinki.fi).

van der Poorten. D.: Lanteemhofstraat 26, B-2140 Antwerpen.

Introduction

The so-called anomalous blues, or the monomorphic Agrodiaetus, are a taxonomically problematic group in which both males and females are brown on the upperside. The taxa often resemble each other very much, but are usually separable on features of their morphology, anatomy, karyology or ecology. Most species of this complex are endemic to relatively small areas in South Europe and the Near East, and a large fraction of them have been described only in the last few decades.

In Europe, these lycaenids are best represented on the Balkan Peninsula, where five species are currently known to occur. Often two or three of them may be found flying in sympatry retaining their individual characteristics, a circumstance which confirms their separation at species level.

Taxonomie history of Polyommatus aroaniensis Until about 20 years ago, only tv/o species of this group were known from the Balkans: P. (A.) admetus (Esper, [1783]) and P. (A.) ripartii (Freyer, 1830). Coutsis (1972) for the first time attracted attention to a population of ripartii” on Mt. Chelmos in Southern Grcece, noting that in about half of all specimens the white streak on the hindwing underside, always present in ripartii, was completely absent. Brown (1976a) wrote about these same butterflies from Chelmos as “an unrecognized Agrodiaetus sp. similar to and often sympatrie with ripartii [pelopi] in Greece”. It was described as Agrodiaetus alcestis aroaniensis, type-locality Mt. Chelmos (Brown 1976b). However, Coutsis (1978) found this taxon to be considerably different morphologically from P. (A.) alcestis (Zemy, 1932) from Lebanon and Central Turkey. Because of this and of the

Phegea 25 (1) (1.111.1997): 35

lower chromosome number (n = 15-16 as opposed to n = 19-21 in alcestis), aroaniensis was elevated to species rank (Brown & Coutsis 1978).

Apart from the chromosome number, typical aroaniensis are characterized by the following characters. The hindwing underside is medium coffec-brown with well pcrceptible reddish hue and without darker marks along the margin. The postdiscal spots on hindwing tcnd to bc small (a few are oftcn absent) and are displaced more basad than in most other species of the group. A white stripe on the hindwing underside is present in about 50-60% of all specimens in a population, while in the rest it is either completely absent or sometimes indicated by a weak suffusion of whitish scales. The male genitalia are relatively large compared to the size of the butterfly: valva around 3.0-3. 1 mm long (fig. 10).

Figs. 1-9; Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Brown, 1976); 1. c? ex-Yugoslav Macedonia, near Prilcp, 1000 m. 29, VI. 1989, leg. J. Dils; 2. 9 ex-Yugoslav Macedonia, Pctrina Planina, 1850 m, 21. VII. 1981, leg. D. van der Poorten; 3. 'S Grccce, Achaia, Kalavrita, 750 m, 7.VII.1985, leg. D. van der Poorten; 4. ^ Greece, Drama. N. Phalakron, 1600 m, 3.VII.1984, leg, D. van der Poorten; 5. d*, same data as fig. 4; 6. d‘ Greece, Achaia, Chelmos, 1700 m, 16. Vil. 1984, leg. D. van der Poorten; 7. d* Bulgaria, Balkan Mts., Karandila reserve above Sliven, 1000 m, 4.V11I.1996. leg. Z. Kolev; 8. 9 SW. Bulgaria, S. Pirin Mts., 2 km E of Paril village, 850-950 m. 30.VI.1994, leg. Z. Kolev; 9. Greece, Achaia, Chelmos, 600 m. 6.VII.1979, leg. D. van der Poorten.

Phegea 25 ( 1 ) (1 .III. 1 997): 36

Fig. 10: Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Brown, 1976), male genitalia, Bulgaria, Balkan Mts., Karandila Res. Sliven town, 1000 m, 4.VI11.1996 (Prep. 2851 JGC).

Reported distribution and larval host-plant

Polyommatus aroaniensis is a mountain species found in dry flowery glades and meadows at altitudes between 500 and 1600 m, and occasionally higher. Until a few years ago it was only known from Greece, mainly the Southern and central regions: Mt. Chelmos, Mt. Smolikas, Mt. Pamassos, Mt. Tymphristos (Brown 1976b, Wakeham- Dawson & Spurdens 1994), but also in the north: Mt. Triklario (Coutsis, pers. comm.), and the mountains of the Drama district (Browri 1976b, van der Poorten 1982). Tolman (1995) reported that the larval host-plant of aroaniensis on Mt. Chelmos is Onobrychis arenaria (Kit) DC., and noted an interesting ecological fact conceming the three brown Agrodiaetus sympatric there {admetus, pelopi, and aroaniensis). He found that they all used the same plant species, but "the larvae of these three species were never found within the same colony of their common host-plant" (Tolman, l.c.: 1 15).

Recently the species was found on Mt. Alibotush in SW Bulgaria, where it is sympatric with P. (A.) nephohiptamenos (Brown & Coutsis, 1978), another Balkan endemic of the same complex (Kolev 1994). The record was based on a single male with a white stripe on the underside. The first author revisited the locality in early July 1994 and managed to find some more males, of which half lacked the white stripe. The population was restricted to flowery places on the steep south-facing calcareous slope "Koynara" in the Hambar-Dere valley, at 1500-1600 m.

Phegea 25 (1) (1 .III. 1997): 37

Fig. 11: Map of the Balkan Peninsula showing the currently known localities of Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Brown, 1976).

New localities of aroaniensis

During the same 1994 trip a second population of aroaniensis was found adjacent to the Alibotush on the southemmost flanks of Mt. Pirin, east of Paril village. The biotope was very different from the flowery glades in which the species was found on Mt. Alibotush, and apparently also in Greece (Brown 1976b). It comprised eroded stony slopes with extremely sparse low vegetation, at 900-950 m. There, only one male and one female were collected. P. admetus was abundant there, but concentrated without exception in the sheltered gulleys on the slopes with more vegetation. Some of the other species flying there were Pieris ergane (Geyer, [1827]), Euchloe penia (Freyer, [1851]) gen. aest., Pseudochazara orestes De Prins & van der Poorten, 1981, Satyrus ferula (Fabricius, 1793), and Hipparchia senthes (Fruhstorfer, 1908).

A few years ago, aroaniensis was also found in ex-Yugoslav Macedonia (close to the Greek border): 1$ on Petrina Planina, 1850 m, 21. VII. 1981, leg. D. van der Poorten and 16' near Prilep, llOOm, 29.VI.1989, leg. J. Dils. In the first locality the species was accompanied by Polyommatus (Agrodiaetus) pelopi (Brown, 1976), and in the second

Phegea 25 (1) (1.III.1997): 38

one by Euchloe penia, P. (A.) pelopi and Pseudochazara cingovskii Cross, 1973. This is the first record of aroaniensis for this country.

Conclusion

Apparently, P. aroaniensis is confined in its distribution to the Balkan peninsula. However, the new data presented here show that, while its range in Greece is rather well understood, very little is known about the northem limit of distribution, in Macedonia and Bulgaria, and possibly also in eastem Albania.

It appears that there is hardly any locality where P. aroaniensis is not sympatric with at least one other species of its complex. Contrary to popular belief (see e. g. Wakeham- Dawson & Spurdens 1994), P. aroaniensis is usually easy to distinguish in the field from the other relatives it may be flying with: P. admetus, P. pelopi, and P. nephohiptamenos.

The constancy of the morphological features of these taxa relative to each other, combined with differences in their chromosome numbers and such distributions which result in partial sympatry, is a good, albeit arguably indirect, indication of their reproductive isolation at specific level. This seems to be corroborated by the so far unique evidence (Tolman 1995, see above) which suggests that in a state of sympatry P. aroaniensis, P. pelopi, and P. admetus on Mt. Chelmos differ in their microhabitat preferences for oviposition on the same plant species, thus obviously reducing competition for their common larval food source. Apparently, this interesting system of related taxa in the Balkans has much to offer for population, genetical, and evolutionary studies.

In early August 1996, the first author and Mr. Bart Vanholder (Haaltert, Belgium) found aroaniensis in Stara Planina (Balkan Mts.) above Sliven town, in the highest part of the national park "Karandila". This is by far the northeastemmost known locality of the species, suggesting that aroaniensis may have an even wider distribution to the north in the central part of the Balkans. Remarkably, none of the ten males or the single female found had a white stripe, and only in three males was there a very vague whitish suffusion in the discal area of the hindwing.

The very localized population was found in the highest part of the area (at 1000 m), in a glade bordering a forest dominated by Fagus sylvatica moesiaca (K. Maly) Hyelmq. and Quercus dalechampii Ten. The vegetation in the glade was low and sun-dried, with hardly any flowers left. AU individuals were collected sitting on, or flying around, the inconspicuous flowers of an unidentified odourless, silvery-grey plant of the Labiatae. On the same site a single specimen of P. (A.) admetus was found. Other characteristic butterfly species were Pieris krueperi Staudinger, 1860, Melanargia larissa (Geyer, [1827]), Satyrus ferula (Fabricius, 1793), Hipparchia syriaca (Staudinger, 1871), Plebeius sephirus sephirus (Frivaldsky, 1835), Polyommatus dorylas ([Denis & Schiffermüller], 1775), Pyrgus cinarae (Rambur, [1839]), and Hesperia comma (Linnaeus, 1758).

Acknowledgments

Thanks to Messrs. John G. Coutsis (Athens, Greece), Bart Vanholder (Haaltert, Belgium), and Willy De Prins (Antwerpen, Belgium), for communicating important information and views.

References

Brown, J., 1976a. On two previously undescribed subspecies of Lycaenidae (Lepidoptera) from Greece. Ent.Ber., Amst. 36; 46-47.

Phegea 25 (1) (1. III. 1997): 39

Brown, J., 1976b. Notes regarding previously undescribed European taxa of the genera Agrodiaetus Hübner, 1822 and Polyommatus Kluk, 1801 (Lep., Lycaenidae). Entomologist’s Gaz. 27: 77-90.

Brown, J. & Coutsis, J. G., 1978. Two newly discovered Lycaenid butterflies (Lepidoptera: Lycaenidae) from Greece, with notes on allied species. Entomologist’s Gaz. 29: 201-213.

Coutsis, J. G., 1972. List of Grecian butterflies: additional records 1969-1971. Entomologist's Ree. J. Var. 84: 145-151.

Coutsis, J. G., 1978. List of Grecian butterflies: additions and corrections. Entomologist's Ree. J. Var. 90: 137-140.

Kolev, Z., 1994. Two Polyommatus (Agrodiaetus) species new to Bulgaria, with notes on the related Bulgarian taxa (Lepidoptera: Lycaenidae). Phegea 22: 61-71.

Poorten, D. van der, 1982. Interessante dagvlinderwaamemingen in Griekenland, Juli 1981. Phegea 10: 77-87.

Tolman, T. W., 1995. Conceming the biology and conservation of Polyommatus (Agrodiaetus) iphigenia (Herrich- Schaffer, [1847]) in Greece (Lepidoptera: Lycaenidae). Phegea 23: 113-117.

Wakeham-Dawson, A. & Spurdens, P., 1994. Anomalous blue butterflies of the genus Agrodiaetus Hübner (Lepidoptera: Lycaenidae) in Southern Greece. Entomologist's Gaz. 45: 13-20.

Inhoud:

Asselbergs, J. E. F.: Scoparia conicella confirmed for the Belgian fauna (Lepidoptera:

Pyralidae, Scopariinae) 7

Bonte, D.: Het voorkomen van Hyles euphorbiae, Aricia agestis, Hipparchia semele en Issoria lathonia in het duingebied van de Vlaamse Westkust in 1996 (Lepidoptera).. 1 Dils, J. & Van De Weyer, G.: A new species of Thyridanthrax from Southern Greece,

Pelopónnisos (Diptera; Bombyliidae) 25

Henderickx, H.: Stigmella aurelia en Luffia lapidella f. ferchaultella, new species for the

Azores (Lepidoptera: Nepticulidae, Psychidae) 21

Kolev, Z. & van der Poorten, D.: Review of the distribution of the Balkan endemic Polyommatus (Agrodiaetus) aroaniensis (Lepidoptera: Lycaenidae), with notes on its

sympatry with related species 35

Riemis, A.: Geometridae of Turkey 6. Description of a new species from eastem Turkey

in the genus Scotopteryx Hübner (Lepidoptera: Geometridae) 3 1

Van de Vijver, W.: Een merkwaardige copulatie 20

Wamotte, C. & De Prins, W.: Discestra salicorniae stat. rev. (Lepidoptera: Noctuidae) 1 1 Boekbesprekingen 6, 24

verantw. uitg.: W. De Prins, Diksmuidelaan 176, B-2600 Antwerpen (Belgium) - Tel; 0032-3-322.02.35

Phegea 25 (1 ) (1 .111.1997): 40

driemaandelijks tijdschrift van de

VLAAMSE VERENIGING VOOR ENTOMOLOGIE

Afgiftekantoor Antwerpen X ISSN 0771-5277

Redactie; Dr. J.-P. Borie (Compiègne, France), T. Garrevoet (Antwerpen), B. Goater (Chandlers Ford, England), Dr. K. Maes (Gent), Dr. K. Martens (Brussel), Dr. Y. P. Nekrutenko (Kiev), A. Olivier (Antwerpen), H. van Oorschot (Amsterdam), D. van der Poorten (Antwerpen), W. O. De Prins (Antwerpen).

Redactie-adres: W. O. De Prins, Diksmuidelaan 176, B-2600 Antwerpen (Belgium) - e-mail; wdprins(o)innet.be.

J^rgang 25, nummer 2

1 ju;

MC2

I juni 1997

Trekvlinders in 1996, dertiende jaarverslag IDFJARY (Lepidoptera) I g ( 2004

Bart Vanholder

harvard

Résumé. Lépidoptères migrateurs en 1996 (treizième rapport) (Lepidoptera) UNIVERSITY Rapport sur les migrateurs observés en Belgique en 1996. Nous donnons un tableau avec 1’information sur les migrateurs par decade.

Abstract. Migrant Lepidoptera in 1996, thirtheenth annual report (Lepidoptera)

Report on migrants observed in Belgium in 1996. We added a table with all information on Belgian migrants and vagrants per decade.

Key words: Migrating Lepidoptera - Belgium.

Vanholder, B.; Droeskouter 33, B-9450 Haaltert. e-mail: bvholder@innet.be

Inleiding

In totaal leverden 156 medewerkers gegevens in via 101 vaste medewerkers. Er dienden zich 49 nieuwelingen aan. In totaal 48 mensen hadden waarnemingen van nachtvlinders. Er blijft een tekort bestaan aan medewerkers die observaties van Microlepidoptera doorgeven. Hoewel we de weerkundige zomer van 1995 niet konden evenaren, werd 1996 toch een erg uitzonderlijk migratiejaar voor enkele soorten. Zeeuws- Vlaamse en Noord-Franse waarnemingen zijn dit jaar weer in het verslag en de tabellen en histogrammen verwerkt. Om het aantal strikt Belgische waarnemingen te kennen volstaat het de aantallen die bij elke soort onder Z.VL. en Fra. vermeld staan in mindering te brengen op het totaal aangegeven in tabel 1 en 2. De naamgeving en systematiek werd gevolgd naar de nieuwe Europese checklist (Karsholt & Razowski 1996)

Klimatologisch overzicht van 1996

De winter 1995-1996 was de koudste sinds 1986. Van november tot april daalde het kwik onder het nulpunt gedurende 83 nachten (gemiddeld slechts 53). Toch moet men de winterkoude enigszins relativeren, de wintermaanden telden 10 winterdagen, dit is net het gemiddelde. In de koudste nacht vroor het slechts -8.3 °C. Er is dus nooit sprake geweest van Siberische koude. De winter was bovendien zeer droog. Door voomoemde weersomstandigheden werd het overwinteren van enkele trek vlindersoorten niet onmogelijk gemaakt. Vroege waarnemingen tot half maart kunnen aan overwinteraars toegeschreven worden. Tijdens de lente kregen we een eerste evidentie van

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997): 41

meteorologische omstandigheden geschikt voor migratie tussen 19 en 24 maart (zie tabel 1); een depressie ten westen van Frankrijk stuurde ons maritieme luchtstromingen van zuidelijke oorsprong. In deze dagen bereikten, wellicht niet toevallig, ons de eerste echte trekvlinders: Vanessa atalanta en Agrotis ipsilon. April was abnormaal warm met een uitzonderlijk hoog aantal uren zonneschijn. Dit had als gevolg dat de overwinterende soorten als Nymphalis antiopa en N. polychloros zich alom lieten opmerken. Er was een tweede ideale situatie voor migratie tussen 17 en 27 april (zie tabel 2) , met een depressie ten zuiden van IJsland, die zich later verplaatste naar het westen van de Britse eilanden en tropische maritieme luchtstromingen over ons land bracht. In deze periode kwam de migratie reeds goed op gang, met Plutella xylostella, Nomophila noctuella, Macroglossum stellatarum, Vanessa cardui, Autographa gamma en een toename van V. atalanta en A. ipsilon. Met deze warme temperaturen verschenen uitzonderlijk vroeg Issoria lathonia, Macdunnoughia confusa en Mythimna albipuncta (april!). In schril contrast hiermee stond mei met een uitzonderlijk tekort aan zonneschijn, abnormaal lage temperaturen en dus ook weinig vlinderwaamemingen. Pas op het einde van de maand kenden we het begin van echt migratieweer. Op 30 en 31 mei (zie tabel 3) zorgde een depressie voor maritieme zuidelijke luchtstromingen. In het begin van juni werd ons weer beïnvloed door een depressie in de buurt van IJsland die warm en droog weer bracht. Vooral na 5 juni werd het tropisch warm. We maakten de start mee van een zeer uitzonderlijke migratie van V. cardui en hoge aantallen A. gamma en P. xylostella alsook soorten als V. atalanta, N. noctuella, M. stellatarum, Colias croceus, C. hyale, A. ipsilon en een vroeg exemplaar van Heliothis peltigera. Tijdens juli en augustus waren er weinig of geen luchtstromingen van tropische oorsprong. Alleen continentale luchtstromingen zorgden af en toe voor hogere temperaturen. In augustus eindigde plots één van de langste droogteperioden die ons land ooit kende. Augustus werd de natste maand ooit gemeten te Ukkel met 231 mm regen. Deze stortvloed viel bijna geheel op 4 dagen: 12, 24, 28 en 29 augustus. Na 27 augustus steeg de temperatuur nog slechts 3 dagen boven de 20°C. De voor migranten of hun nakomelingen zo belangrijke maand september werd voor de dertiende maal na elkaar te koud. We zagen tijdens deze maand, en dit is wel bijzonder vermeldenswaardig, zelfs lagere aantallen trekvlinders dan gedurende de maanden juni, juli of augustus. Een normale oktobermaand kon evenmin de situatie redden. Enkel het massaal voorkomen van hier opgegroeide N. noctuella vormde een uitzondering. De erop volgende koude winter vormde een uitdaging voor de migranten die hier probeerden te overwinteren.

Medewerkers aan het verslag 1996

Y. Adams, A. Artoisenet, Y. Baptiste, H. Bastiaens, M. Bauduin, S. Bedoret, R. Beemaert, D. Beyen, E. Bogaert, F. Bolland, D. Bonte, S. Brinckman, C. Bruggeman, L. Bruneel, Dhr. Buysse, M. Capello, J. Chapelle, J. Clepp>e, P. Cluck, F. Coenen, R. Dall’Asta, D. D’Hert, J. De Bakker, R. De Block, A De Boer, S. De Bruycker, C. De Caluwe, H. De Decker, NWG De Gavers, A. De Graeve, W. De Prins, R. De Spiegeleire, A. De Turck, A. De Vreese, B. De Vreese, M. De Vrieze, T. De Witte, R. Debniyne, C. Develter, L. Dufraing, S. Dupont, P. Durinck, G. Evrard, M. Faquaet, C. Fregat, Mr.Galopin, T. Garrevoet, M. Gillard, Gilbert Glabeke, Gerrit Glabeke, Gerqan Glabeke, E. Gonissen, C. Goossens, J. Gorissen, J. Grimonprez, D. Gryflfroy, R. Guinez, A. Havrenne, G. Himschoot, B. Hoeymans, P. Hollebosch, G. Hooft, I. Hoste, M. Houyez, Fam. K. Janssens, F. Jonckheere, H. Kinders, B. Kindts, H. Laget, M. Lambert, A. Laudelout, V. Lefeber, A. Leman, A. Leveque, P. Lighezzolo, R. Litt, T. Maertens, B. Maes, D. Maes, T. Maréchal, L. Merveillie, B. Misonne, M. Naessens , G. Naessens, H. Nagel, Dhr. Noens, B. Notebaert, R. Nyst, G. Pierloot, R. Pletinck, G. Prang,, W. Prinsen, F. Ramaut, G. Rappé, J.L. Renneson, C. Riemslag, J. Rijnders,, L. Rosé, R. Seiller, D. Sierens, T. Sierens, W. Slosse, P. Smessacrt, S. Smets, A. Soete, B. Soyez, J. Sponselee, R. Spronck, S. Spruytte, E. Stassart, D. Stroobants, F. Sueur, E. Taelman, H. Tessely, G. Thoné, W. Troukens, E. Van Aelst, E. Van Cappellen, D. Van De Keere, F. Van De Keeie, O. Van De Kerckhove, W. Vandemaele, G. Van De Poel, M. Van Haecke, W. Vandenbranden, Bert Van Holder, G. Van Hoorebeke, J. Van Kerschaever, S. Van Landschoot, R. Van Moerkerke, M. Van Moerkerke, M. Van Opstaele, J. Van Opstaele, C. Van Steenwinkel, F. Vandenbossche, O. Vandenbossche, Bart Vanholder, A. Verboven, G. Vejjans, F. Verloove, E. Vermandel, H. Vermersch, L. Verroken , C. Verscheure, F. Verselder, K. Verstraeten, J. Vervaecke, T. Verwaest, P. Virlet, F. Waltenis, A. Wieland, G. Wieme, B. Willockx, S. Wullaert, L. Yde, M. Zwertvaegher.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 42

Figuur 1: Afwijking van de gemiddelde temperaturen per pentade te Ukkel t.o.v. het normale. Normale afwijking = 0°C.

Trekvlinders

Plutella xylostella (Linnaeus, 1758)

Op 21 april werden 14 exemplaren gezien op 4 plaatsen. Tot het einde van de maand kwamen nog meer vlinders voor. Opvallend is het gelijktijdig voorkomen van enkele andere migranten: Nomophila noctuella, samen met stijgende aantallen M. stellatarum, A. ipsilon, V. atalanta, V. cardui en A. gamma. De tropische luchtmassa’s die ons land tussen 17 en 27 april aandeden veroorzaakten deze migratiegolf die tot noordelijke streken zoals Shetland (UK) en Zweden reikte. Van eind mei tot begin juni (zie histogram) kwam de tweede, nu grotere, golf van P. xylostella, alweer vergezeld van dezelfde migranten, aangevuld met C. croceus. Het hoogste dagtotaal lag op 8 juni. Het wordt steeds duidelijker dat we deze Micro kunnen rekenen tot de typische migranten. Begin augustus kwam er nog een derde piek in het optreden van de soort. Opvallend was het lage aantal vlinders (8) na augustus. In andere jaren kan men de vlinders nog tot laat in het jaar zien. De laatste 2 werden gelokt op 24 oktober te Haaltert (B. Vanholder) en Korbeek-Lo (A. De Boer). Massale aantallen vlinders zijn gemeld op 3 mei te Warsage, met 150 ex. op licht (R. Spronck), 8 juni te Wenduine met 220 ex. overdag (A. De Turck), op 1 1 juni te Haaltert 50 ex. op licht (B. Vanholder) en op 9 augustus te Knokke 82 ex. (R. Debruyne). Deze aantallen zorgden ervoor dat we voor het derdejaar op rij het recordaantal verbeteren.

vindplaatsen; AnL(33): Antwerpen; Bra.(197): Anderlecht, Dilbeek, Heverlee, Jette, Korbeek-lo, St.-Jans-Molenbeek, Lim.{6): Maaseik; Luik(184): Lanaye, Lixhe, St.-Jean-Sart Visé, Warsage; Nam. (2): Presgaux; O.VI.(212): Assenede, Daknam, Haaltert, Hamme, Lokeren, Sinaai, St.Niklaas; W.V1.(571): Dudzele, Knoldce, Roeselare, Koksijde, St.Eloois- Winkel, Wenduine.

Phegea 25 (2) (\.W\.\991): 43

350

300

250

200

150

100

50

0

Plutella xylostella

--h-hÏ^

200

50

100

50

apr mei jun jul aug sep okt

Colias croceus

1

mei jun jul

sep okt

mrt apr nr»ei jun jul aug sep okt nov

800

700

600

500

400

300

200

100

0

Nomophila noctuella

apr mei jun jul aug sep okt nov

2000

1800

1600

1400

1200

1000

800

600

400

200

0

Vanessa atalanta

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov

50

45

40

35

30

25

20

15

10

5

0

Hemaris fuciformis

1

apr mei

jun

jul

aug sept

Fig. 2-7; Histogram per pentade van: Plutella xylostella, Vanessa cardui en Hemaris fuciformis.

Nomophila noctuella, Colias croceus, Vanessa atalanta.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 44

Margaritia sticticalis (Linnaeus, 1761)

Deze trekvlinder werd voor het derdejaar op rij gemeld (3 ex.): 2 augustus te Lanaye (E. Stassart), 9 augustus te Stekene (Dr. M. De Vrieze) en 14 augustus te Vorst op licht (R. Guinez). De laatste 3 jaren samen gaven meer exemplaren dan voorheen uit België bekend waren. Mogelijk waren dit reeds nakomelingen van eerdere migranten: in Engeland werd deze Pyralide reeds op 6 juni gevonden (Clancy 1997) maar ook in de tweede helft van augustus.

Vindplaatsen: Bra(l): Vorst; Luik(l): Lanaye; O.VI.(l): Stekene.

Udea ferrugalis (Hübner, (1796))

De eerste drie vlindertjes werden op 1 1 juli te Assenede aangetrokken door de HPL- lamp van M. Faquaet. Dezelfde waarnemer vond op 17 augustus nog 2 exemplaren te Bredene. Dit eerder onopvallend vlindertje is nochtans meestal te vinden in de herfst. Dit jaar enkel op 19 oktober te Wenduine (A. De Turck) en de laatste te Estinnes-au-Mont op 12 november (S. Dupont). Vermoedelijk wordt de soort bij ons “onderbemonsterd”. In Engeland werden de eerste waarnemingen reeds in april gedaan zodat onze exemplaren wellicht dus reeds nakomelingen zijn.

Vindplaatsen; Hen.(l): Estinnes-au-Mont; O.Vl.(3): Assenede; W.VI.(3): Bredene, Wenduine.

Nomophila noctuella (|Denis & Schiffermüller], 1775)

De eerste twee exemplaren werden door M. Van Opstaele op 26 april te Assenede op licht gezien. Net op dezelfde avond is deze soort in Nederland samen met Rhodometra sacraria en A. ipsilon gevangen (R. De Vos, in litt). Op 30 april werd één N. noctuella in Shetland aangetroffen (M. Pennington, e-mail), wat bewijst hoe ver noordelijk ook deze migratie is doorgedrongen. Verdere waarnemingen van deze Pyralide in juni luidden bij ons een recordjaar in met 2875 stuks. De eerste hiervan kwamen voor tijdens de bijzondere migratiegolf begin juni. Zeven exemplaren werden op 2 juni met licht gelokt door E. Stassart in Lixhe; op dezelfde dag zag W. Troukens overdag een vlindertje te Anderlecht. Het betrof dikwijls afgevlogen bleke exemplaren wat erop wijst dat het echte migranten waren. Voorheen werden slechts zelden vlinders in het voorjaar waargenomen. Vanaf half juli werden (in lage aantallen) kleurfrisse exemplaren gezien, wat duidt op nakomelingen, met een piek begin augustus. De voornaamste aantallen werden genoteerd vanaf de derde decade van september (zie histogram). Zeer grote aantallen bleven voorkomen in oktober, plaatselijk zelfs massaal zoals op 4 oktober te St. Jansteen (E. Taelman). Deze dag behaalden we eveneens het hoogste dagtotaal: de vlinder werd toen op 7 verschillende plaatsen gezien. Op 6 oktober sprak S. Dupont te Wandrez overdag van 50 exemplaren, meestal zeer kleurfris (massale ontpopping?). De laatste Belgische vermelding staat op naam van B. Misonne in Poppel op 3 november.

Vindplaatsen: Ant(50); Antwerpen, Poppel; Bra.(76): Anderlecht, Dilbeek, Heverlee, Jette, Ottignies, St.-Jans- Molenbeek; Hen.(57): Estinnes-au-Mont, Waudrez; Lim.(33): Maasmechelen; Luik(33): Hermalle-s/-Argenteau, Herstal, Lanaye, Lixhe, Warsage, Wonck; Lux.(29): Marbehan, Ste.-Marie-sur-Semois; Nam.(35): BruJy, Han-sur- Lesse, Presgaux, Sosoye; O. VI. (239): Assenede, Daknam, Eeklo, Erembodegem, Grammene, Haaltert, Hamme, Lokeren, Mariakerke, Merelbeke, Sinaai, Ursel, Wetteren; W.VI. (393): Deerlijk, Koksijde, Nieuwpoort, Oedelem, Oostende, Ruiselede, Wenduine, Wingene. Z. VI. (1930): Clinge, Hulst, Nieuwvliet, St.Jansteen, Zaamslagveer.

Agrius convolvuli (Linnaeus, 1758

Een pover jaar, zeker in vergelijking met andere trekvlinders die gewoonlijk in juni ons land aan doen. De eerste meldingen waren twee ex. op 29 juni te Nieuwvliet (G. Prang) en op 4 juli een derde te Kloosterzande. Op 20 augustus toonden uitwerpselen en vraatsporen op haagwinde {Convolvulus arvensis) in een maïsveld te Maaseik de aanwezigheid van rupsen aan. Er was echter geen enkele rups meer te vinden; alle waren wellicht reeds verpopt. Begin september volgden enkele waarnemingen op rij te Ursel (M. Van Opstaele) en een laatste vrij laat op 22 oktober te Nieuwvliet (G. Prang).

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997): 45

Vindplaatsen; Hen (1): Genly; Lim.(rupsspoor): Maaseik; Luik (1): Visé, O.VI.(5): Haaltert, Hamme, Ursel; W.Vl.(l): Deerlijk; Z.VI.(6): Kloosterzande, Nieuwvliet, Temeuzen.

Acherontia atropos (Linnaeus, 1758)

Van de doodshoofdvlinder slechts één imago en 2 rupsen. Een rups werd gemeld te Oostduinkerke op 27 juli (W. Slosse). Het enige imago werd op 7 augustus te Beemem aangetroffen, overdag verscholen in een vlinderstruik. De laatste rups op 5 september te Wanze (S. Dupont). Het is vreemd dat niet meer vlinders ons land bereikten vermits in Zuid-Frankrijk in het voorjaar uitzonderlijk veel exemplaren gezien waren in de Rhóne- vallei in de buurt van Avignon (D. Chanselme, pers. med.). Zo vermeldde C. Fregat nog een doodshoofdvlinder uit Sologny (Frankrijk) op 16 juni.

Vindplaatsen: Hen.(l rups): Wanze; W.VI.(1 rups + 1 imago): Oostduinkerke, Beemem..

Macroglossum stellatarum (Linnaeus, 1758)

De eerste meekrapvlinders werden samen met andere migranten in ons land gezien in de tweede helft van april: de eerste te Bellem op 19 april (I. Hoste). Er volgden nog vlinders te Walsoorden op 25 april en te Heikant op 30 april. Deze vormden een eerste, beperkte migratie. Einde mei kwam dan de trek volop op gang samen met de enorme distelvlindermigratie. Er werden pieken bereikt in de laatste decade van juni (zie histogram) met op 16 juni het hoogste dagtotaal van 1 1 stuks op 9 verschillende plaatsen. Dit duidt op een belangrijke voorjaarsmigratie. Tot in oktober bleven de aantallen op peil. Met in totaal 478 vlinders behaalden we een nieuw record. Het complex beeld in het histogram laat overlappende generaties vermoeden in de zomer, die wellicht ontstaan zijn uit beide bovengenoemde migratiegolven. Begin juli komt een piekje voor dat vermoedelijk hier ontpopte vlinders weergeeft, resulterend uit de migratie in april (zie histogram). Dit zou een ontwikkelingstijd van twee en een half tot drie maand betekenen. Einde augustus kwam de grootste piek voor. Dit waren duidelijk hier opgegroeide dieren, ontstaan uit de tweede migratie in juni. Deze hypothese wordt ondersteund door de vondst van een volwassen rups op 23 juli te Lembeke (C. Bruggeman), die begin september ontpopte. Hier tellen we dus 2 maanden als ontwikkelingstijd. Dit is vergelijkbaar met de ontwikkelingstijd die we in de zomer van 1995 hanteerden. In het najaar kwamen nog flinke aantallen voor, mogelijk een partiële vervolggeneratie. Een eveneens plausibele hypothese voor najaarsdieren is echter dat het om vlinders gaat die nog voldoende nectar vinden om in leven te blijven. Kweekexperimenten in laboratorium-omstandigheden leerden ons dat de pijlstaart tot 4 maand kan leven als voeding permanent beschikbaar is (Kelber 1996). Dit zou meteen het aantal late herfstwaamemingen dit jaar verklaren. In oktober werden nog liefst 40 vlinders gezien tot 22 oktober te St.-Denijs (G. Glabeke). Erg uitzonderlijk was het voorkomen van twee vlinders in november: op 23 november te Nivelles (T. Dewitte) en te Clermont-lez- Walcourt (J. Doucet). Dit is meteen de uiterste datum dat in ons land ooit een kolibrie- pijlstaart werd gesignaleerd. Het exemplaar te Clermont-lez-Walcourt zocht beschutting in een garage, wat een poging tot overwintering suggereert. Er was toen reeds sprake van sneeuw en de dag ervoor werd de laagste temperatuur van november opgetekend. De mogelijkheid tot overwintering werd in 1997 bevestigd door een waarneming op 1 1 maart te Malmedy (S. Giet) en de dag nadien te Maldegem (D. Van De Keere). Opvallend was weerom de enorme variatie aan bloemen die de vlinder bezoekt, met een voorliefde voor blauwe tinten. Fundamenteel onderzoek werd hierover bij M. stellatarum uitgevoerd in Duitsland (Kelber, 1996). Naast de aangeboren voorkeur voor blauw, blijkt dat de soort kan aangeleerd worden om bloemen met bepaalde kleurtinten te bezoeken of juist te mijden. Het bleek zelfs dat pas na succes op de soorteigen kleurvoorkeur - eventueel op de aangeleerde kleur- de vlinder spontaan op zoek gaat om ook ander kleuren te bezoeken. De voor een vlinder opmerkelijk goede leercapaciteit zou de soort in staat

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 46

stellen vlug een nectarbron te zoeken in streken die hem niet eigen zijn. Dit wil zeggen, na migratie leert de vlinder vlug welke hem onbekende bloemsoorten aan zijn zeer grote nectarbehoefte kunnen beantwoorden (Kelber, 1996). Dit maakt dat de kolibrievlinder zich met succes kan aanpassen in zijn nieuwe leefwereld.

Vindplaatsen: Ant(7): Dessel, Meer, Poppel; Bra.(24): Anderlecht, Korbeek-Lo, Lxwnbeek, Neerijse, Nivelles, Puurs, Tubize, Vorst, Wemmel; Hen.(2): Estinnes-au-Mont; Llm.(5): Kinrooi, Maasmec helen. Ophoven, Veldwezelt ; Luik(27): Ensival, Lanaye, Lixhe, Petit-Rechain, Stockay, Visé, Wandre, Waremme, Wonck; Lux.(5): Marbehan, Ste.- Marie-sur -Semois; Nam,(27): Anseremme, Belvaux, Dinant, Freyr, Gimnée, Han-sur-Lesse, Mariembourg, Petigny, Presgaux, Rochefort, Vaucelles, Vierves-sur-Viroin, Walcourt; O.VI.(81): Aalter, Bellem, Borsbeke, Daknam, Drongen, Elversele, Haaltert, Hamme, Knesselare, Lembeke, Maldegem, Nevele, Ronse, Sinaai, Ursel, Waasmunster, Wetteren; W.VI.(208): Assebroek, Deerlijk, Gijselbrechtegem, Gullegem, Harelbeke, leper, Koksijde, Kortijk, Loker, Moen, Nieuwkerke-Heuvelland, Poperinge, SL-Denijs, Tielt, Vlamertinge, Voormezele, Wenduine, Westouter, Zedelgem, Zeebrugge; Z.VI.(63): Clinge, Heikant, Hengsdijk, Hulst, Kloosterzande, Lamswaarde, Nieuwvliet, Overslag, Schoondijke, Terhole, Temeuzen, Vogelwaarde, Walsoorden; Fra.(31): Pont-Ste.-Maxime-sur-Oise, St.-Quentin -en- TourmonL

Colias crocea (Fourcroy, 1785)

Het eerste exemplaar werd door M. Lambert op 31 mei te Petigny waargenomen. Het tweede op 2 juni en vanaf dan begon een serie tot 17 juni. Deze luzemevlinders kwamen exact voor tijdens de befaamde migratie-periode van ondermeer V. cardui en M. stellatarum, A. gamma, P. xylostella en N. noctuella. Vanaf 2 juli te Ursel (G. Rappé) kwam een lichte verhoging in de aantallen voor, die verder toenam tot de laatste decade van juli. In augustus kwam een piek voor van hier opgegroeide vlinders. Het hoogste dagtotaal kwam op 18 augustus voor met 71 vlinders. Daarna daalden de aantallen snel (zie histogram). Eind september - begin oktober kwamen nog enkele vlinders voor. Het is niet geheel duidelijk of dit late vlinders zijn dan wel een partiële derde generatie, zoals die ook in 1994 is voorgekomen. Het recordaantal uit 1994 werd dit jaar met 538 nu, meer dan verdubbeld. Hoe ver de vlinders in Noord-Europa doordrongen is nog niet duidelijk. Er zijn ons geen waarnemingen uit Zweden bekend. In Nederland was het aantal iets kleiner met 289 (R. De Vos, e-mail), op 3 september werd een vlinder tot in Friesland gezien (Sinnema 1997).

Vindplaatsen: Ant(17): Dessel, Eindhout, Geel, Kallo, Meerhout, Minderhout, Rijkevorsel, Turnhout, Weelde; Bra.(29): Averbode, Bierbeek Korbeek-lo, Oud-Heverlee, St.-Jans-Molenbeek, Tubize, Vorst. Hen.(20): Bois de Bonsecours, Cerfontaine, Estinnes-au-Mont, Frasnes-lez-Buissenal, Harchies, Hensies, Viesville; Lim.(53): Bree, Eigenbilzen, Hocht, Kessenich, Kinrooi, Maaseik, Stokkem, Vroenhoven; Luik.(64); Baraque Fraiture, Comblain-au- Pont, Eupen, Lanaye, Loen, St.-Georges-sur-Meuse, Ste. -Cécile, Theux, Wonck; Lux.(ll): Barvaux-sur-Ourthe, Dampicourt, Latour, Noirefontaine, Torgny; Nam.(20): Anhée, Berlaimont, Couvin, Jemelle, Mariembourg, Nismes, Petigny, Presgaux, Vaucelles, Vierves-sur-Viroin; O.Vl.(122): Aalter, Aalterbrug, Adegem, Bellem, Drongen, EekJo, Evergem, Hamme, Hansbeke, Knesselare, Landegem, Maldegem, Merelbeke, Merendree, Sinaai, Ursel, Zomergem; W.VI.(37): Adinkerke, Beemem, Beveren, Brugge, Deerlijk, Diksmuide, Gijselbrechtegem, Gistel, Gullegem, Harelbeke, Hooglede, Ichtegem, leper, Nieuwkerke-Heuvelland, Nieuwpoort, Roksem, St-Denijs, Wervik, Zeebrugge; Z.VI.(166): Axel, Clinge, Hulst, Lamswaarde, St. Jansteen, Temeuzen, Zaamslagveer; Fra.(6): Baie de Somme, Cap Griz-Tjez.

Colias hyale (Linnaeus, 1758)

De gele luzemevlinder was iets nadrukkelijker aanwezig dan we dit de laatste jaren gewoon waren. Vooral West-Vlaanderen scoorde goed in de waarnemingen. De eerste twee vlinders zag H. Kinders op 19 mei te Torgny. Aldaar kan ook C alfacariensis voor verwarring zorgen. Te Lembeke trof C. Bruggeman een vrouwtje dood aan op 9 juni. De meeste vlinders werden echter gedurende de eerste helft van augustus gezien, het laatste ex. te Roksem op 5 september (L. Bruneel).

Vindplaatsen: Lim.(3): Hocht, Kinrooi; Lux.(6); Torgny; O.VI.(l): Lembeke ; W.VI.(8): Adinkerke, Gistel, Roksem; Fra.(5): Pont-Ste.-Maxenxe -sur-Oise.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 47

Fig. 8-13; Histogram per pentade van Macroglossum stellatarum, Autographa gamma, Hoplodrina ambigua. Mythimna albipuncta, Peridroma saucia en Agrotis ipsilon.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 48

Lampides boeticus (Linnaeus, 1767)

Twee waarnemingen van deze voor ons land zeldzame Lycaenide. Beide werden gesignaleerd door E. Gonissen: een vrouwtje te Weris op 20 juli en een mannetje te Dinant op 25 juli. Het was reeds 10 jaar geleden dat nog een vlinder werd gerapporteerd.

Vindplaatsen: INam.(l): DinanU (Lux.): Weris.

Vanessa atalanta (Linnaeus, 1758)

De inmiddels traditionele overwinteraars werden dit jaar reeds in januari gezien: op 8 januari te St.-Pieters-Woluwe (S. Bedoret) en een tweede te Gullegem op 15 januari (J. Vervaeke). Februari telde 4 waarnemingen, die wellicht bij de overwinteraars kunnen gerekend worden; de 7de te Brecht (D. Van der Poorten), 10de te Gent (S. Spruytte) en op 27 februari te St. -Denijs (G. Glabeke). De waarnemingen van eind maart zijn wellicht anders te interpreteren. Op 23 maart zag R. Seiller te Seraing een exemplaar in de vlucht en op 25 maart zag W. Troukens te Dilbeek een atalanta noordwaarts vliegen. Vanaf 22 maart waren immers diverse trekvlinders in Engeland op de zuidkust beland; Hieronder zelfs een V. cardui die in een lichtval is aangetroffen. Andere soorten waren er P. xylostella, N. noctuella, A. ipsilon, P. saucia en A. gamma, die we alle later in België zouden tegenkomen. De meteorologische situatie geeft ons de indruk dat migratie mogelijk was; tussen 19 en 24 maart waren er maritieme luchtstromingen van zuiderse oorsprong. Vermoedelijk was deze eveneens verantwoordelijk voor de enkele exemplaren die in de loop van de eerste helft van april gezien zijn. Een duidelijke migratie had plaats in de laatste decade van die maand, toen tropische stromingen ons weer beïnvloedden. In Engeland werd toen eveneens op tal van plaatsen V. atalanta gerapporteerd op de zuidkust. Er werd bij ons een kleine piek genoteerd de eerste dagen van mei. Eind mei tot half juni een duidelijke migratiegolf, samenvallend met deze van V. cardui. Er werden actieve migranten gemeld op 2 juni te Roeselare (R. Debruyne), op 3 juni te Anderlecht (W. Troukens), op 4 juni te Merchtem (O. Van de Kerkhove), verder nog op 8 juni te Poperinge (C. Develter) en 16 juni te Ophoven (M. Opdenacker). Er werden in die periode eveneens puntgave vlinders gemeld, deze waren mogelijk reeds afstammelingen van de eerste migranten uit maart. Een prachtige zomergeneratie, voorkomend uit de migranten van juni, gaf een top begin augustus, ongeveer 2 maanden na de migranten (zie histogram). In deze periode meldde F. Sueur in de Baie de Somme reeds de eerste remigranten, die per tientallen naar het zuiden vlogen; hij zag hetzelfde fenomeen nogmaals op 16 augustus. Deze laatste dag werd tevens ons hoogste dagtotaal opgetekend en was er een opmerkelijk smalle piek te zien in het histogram. Mogelijk heeft remigratie hier een zekere rol in gespeeld. De aantallen lopen nog verder tot goed in oktober en zelfs november zag nog 16 vlinders. Remigratie werd gemeld op 5 oktober te Kinrooi (G. Pierloot), 23 oktober te Gullegem (J. Vervaeke) en 1 november te Estinnes-au-Mont (S. Dupont). De laatste vermelding kwam van T. De Witte uit Mariembourg op 13 november. Met 12249 vlinders sprokkelden we drie opeenvolgende jaren mooie cijfers.

Per pro\ancie, de aantallen zijn bedoeld om een beeld te vormen over de werkzaamheden van onze medewerkers: Ant.(204); Bra.(566); Hen.(85); Lim.(490); Luik(337); Lux.(73); Nam.(273); O.VI.(3692); W.V1.(3810); Z.Vl.(1376);Fra.(305); Niet vermeld (482).

Vanessa cardui (Linnaeus, 1758)

S. Dupont zag de eerste vlinder op 15 april te Estinnes-au-Mont. Omstreeks deze tijd kregen we eveneens andere migranten op bezoek, zoals M. stellatarum, A. ipsilon en V. atalanta (zie tabel 1). C. Taymans vermeldde op 24 en 25 april tijdens zijn vakantie in dept. Gard (Zuid-Frankrijk) grote aantallen vlinders migrerend, hij noteerde gedurende een half uur 60 vlinders per minuut. In dezelfde dagen bereikten dagelijks vlinders België en Engeland. Een mooier voorbeeld van migratie dan juni 1996 hebben we zelden meegemaakt. Bovendien was het migratie-fenomeen voor iedereen duidelijk: snel naar

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 49

het noorden vliegende vlinders, op 2-5 m hoogte over alles heen, met een zenuwachtige vlucht. De migratie begon mooi synchroon met maritieme luchtstromingen van zuidelijke oorsprong. Tot 1 1 Juni lag een depressie boven Ijsland, die warm en droog weer bepaalde. Dagelijks waren toen massale aantallen migrerende vlinders gemeld. De pieken zwelden aan tot bijna 12.000 stuks, zowel gedurende de tweede als derde pentade van juni (zie histogram). Op amper 5 dagen tijd evenaarden we aantallen die we anders slechts gedurende een gans (recordjjaar halen! Hetzelfde fenomeen werd overal in Noord- en West-Europa gemeld. Getuigenissen van migrerende vlinders langs de kusten van Corsica en in de hoge Alpen omstreeks dezelfde periode, duidden aan dat het om vlinders ging die uit Afrika kwamen. J. Barou vermeldde uit Frankrijk (Cöte d’Or) dat de rupsen schadelijk waren opgetreden in een cultuur van zonnebloemen, een merkwaardige voedselplant voor deze vlinder. Op 14 juli stelde hij vast dat het grootste deel van de poppen, die in een naburig korenveld waren te vinden, reeds waren ontpopt. Zo blijkt dat de vlinder bij massa-optreden niet te kieskeurig is wat zijn voedselplant betreft. In dezelfde dagen werden in België nog honderden rupsen op akkerdistel en wegdistel gevonden te leper en Nieuwkerke-Heuvelland (S. Spruytte). W. Troukens vond eveneens een rups op een ongewone voedselplant: heelblaadjes {Pulicaria dysenterica). Einde juli ontpopten bij S. Dupont vlinders die hij als rups op distel had gevonden midden juli. De top van de vervolggeneratie kwam in België precies anderhalve maand na de top van migranten. Begin augustus moet massale ontpopping plaats gevonden hebben. Geheel augustus lang vlogen de vlinders talrijk op Buddleia, Eupatorium enz. In september daalden de aantallen in verhouding snel. Remigratie werd herhaaldelijk waargenomen vanaf 1 augustus te Ophoven (M. Opdenacker) tot half oktober, te Estinnes-au-Mont (S. Dupont). Tegelijk met de atalanta vlogen op 16 augustus ook een tiental distelvlinders richting zuiden te Baie de Somme (F. Sueur). In oktober hadden we toch nog 125 waarnemingen, wat minder goed blijkt uit het histogram, vanwege de hoge aantallen in de rest van het jaar. De voorj aarsgeneratie was dus veruit de grootste in aantal. Met het enorme aantal van meer dan 55.500 vlinders vermenigvuldigen we het vorige record uit 1988 met een factor 8.

Per provincie; Ant(1773); Bra.(1766); Hen.(541); Lim.(2127); Luik(1605); Lux.(406); Nam.(768); O.Vl.(14.921); W.V1.(1 1.047); Z.VI.(12.220); Fra.(1192).

Orthonama obstipata (Fabricius, 1794)

In 1996 werd deze spanner door J. Brusselle aangetroffen te Ursel op 18 augustus. Vindplaats: O.Vl..(l): Ursel.

Autographa gamma (Linnaeus, 1758)

De gamma-uil kende eveneens een explosief jaar met meer dan 61000 stuks. Daarmee doen we het record uit 1994 nog eens over. Een wezenlijk verschil is nu echter het optreden van 2 pieken in het histogram. In 1994 lag het zwaartepunt vooral in de zomer met erg weinig vlinders in het voorjaar (Vanholder 1995). In 1996 lag de grootste aanvlucht in juni (zie histogram); we telden einde juni reeds 30% van het jaartotaal. Het hoogste dagtotaal lag op 9 juni met 2805 vlinders. De eerste A. gamma werd door K. Janssens in Antwerpen op 8 maart gezien. Een dood maar gaaf exemplaar werd gevonden op een binnenkoer, mogelijk ontpopt op een beschutte plaats. Er zijn wellicht evenveel gamma-uiltjes op trek geweest als distelvlinders. Enkel is dit bij de distelvlinder, die bijna uitsluitend overdag actief is, beter opgevallen. Verschillende medewerkers stuurden krantenknipsels waaruit bleek dat de rupsen van de gamma-uil in de zomer schade veroorzaakten aan cultuurgewassen. Op 5 augustus rapporteerde R. Debruyne het ontpoppen van een gamma die hij als rups op zijn erwtjes had gevonden. Vanaf augustus begonnen de aantallen weer te stijgen; ze bereikten een piek van hier geboren uiltjes in

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 50

het midden van deze maand. L. Bruneel vond op 14 augustus duizenden dode vlinders op de vloedlijn in Nieuwpoort. De dag ervoor was er storm op zee. In Nederland (Terschelling en Ameland) werden op 16 en 17 augustus massa’s aangespoelde gamma- uilen geteld; men hanteerde er een getal van 2,5 miljoen ex. (R. De Vos, e-mail). Op deze dagen meldden we bij ons remigratie van o.a. V. cardui en V. atalanta. In de herfst hielden de aantallen nog lang stand en november had nog 28 vlinders, de laatste zat op 16 november te Amay voor de ingang van de garage van J. M. Vanden Berghe.

Per provincie, enkel tentatief voor de activiteit van de medewerkers: Ant.(2507), Bra.(2361), Hen.(327), Lim.(3798), Luik (1775), Lux.(727), Nam.(817), O.VI.(16.599), W.V1.(16.767), Z.VI.(18.163), Fra.(1068).

Heliothis peltigera ((Denis & Schiffermüller],1775)

Evenals in 1994 werd het een bijzonder jaar voor deze soort. A. De Turck meldde het eerste exemplaar reeds op 17 juni te St.-Jans-Molenbeek. De nakomelingen waren veel talrijker; G. Thoné meldde de eerste op 17 augustus op U.V. -licht op de vijfde verdieping van het appartement te Nieuwpoort. De soort werd gedurende de volgende dagen op diverse plaatsen waargenomen, steeds binnen een strook van 100 km breedte langsheen het kustgebied. Deze strook liep tot op de Zweedse zuidwestkust waar eveneens eind augustus - begin september een paar waarnemingen bekend waren. Op 4 september werd een vlinder door R. Guinez te Vorst gezien. Het laatste ex. geeft W. Van de Maele door te Deerlijk op 9 september, foeragerend op Afrikaantjes {Tagetes sp.).

Vindplaatsen: Bra(2): SL-Jans-Molenbeek, Vorst; O.VI.(l): Ursel; W.V1.(3): Deerlijk, Nieuwpoort; Z.VI.(2): Hulst, St.- Jansteen;Fra(l): Pont St.-Maxence-sur-Oise.

Helicoverpa armigera (Hübner,[1808j)

Dit jaar weerom één exemplaar: op 22 augustus werd te Ursel door J. Brusselle zowel een H. peltigera als een H. armigera vermeld.

Vindplaats: O.VI..(I): Ursel.

Spodoptera exigua (Hübner, |1808])

Er bereikte ons enkel een namelding van een vlinder uit 1995. B. Soyez ving deze uil op 10 augustus 1995 te Jemeppe-sur-Sambre. Het is vreemd dat we in 1996 geen vlinders zagen want ze waren in Engeland sedert begin juni aanwezig, met een piek van 94 exemplaren op 19 juni. In augustus kwamen vervolgens nog meer exemplaren voor met de eerste waarnemingen in Zweden op 23 augustus.

Mythimna vitellina (Hübner, [1808))

Slechts één vlinder. Een waarneming met wel een bijzonder karakter. Tijdens éénzelfde lichtvangst te Esneux op 24 oktober ving P. Cluck Proxenus hospes (Freyer, 1831), een nieuwe soort voor de Belgische fauna. Deze datum is tevens de uiterste datum voor M. vitellina in België.

Mythimna unipuncta (Haworth, 1809)

Zoals in 1995, werden ook in 1996 enkel door M. Gillard vlinders gemeld. Hij ving het eerste ex. op licht op 2 juli te Presgaux, verder nog ex. op 6 en 7 juli, een vierde te Vierves op 4 juli. Het is wel opmerkelijk dat de vlinder steeds in deze streek opduikt. Komt dit wegens haar gunstige ligging voor migratie - de route van Rhone naar Maas -of is de vlinder tot op die hoogte inheems? Vermeldenswaardig zijn tevens de vroege vangdata.

vindplaatsen: Nam.(4): Presgaux, Vierves.

Peridroma saucia (Hübner, |18081)

Een topjaar met het tienvoudige van de normale aantallen, die zelden 10 stuks per jaar overschrijden. Het eerste ex. werd door K. Janssens te Zwijndrecht op licht aangetroffen

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997); 51

op 31 juli. Dit was de voorbode van een zeer geslaagde naj aarsgeneratie waarvan de eerste vlinder door A. De Turck te Wenduine op smeer werd aangetroffen op 31 augustus. Vanaf 15 september beginnen dan volop waarnemingen binnen te lopen (zie histogram). Het hoogste aantal werd op 28 september te Wenduine gezien: A. De Turck had er op smeer op 1 avond liefst 35 exemplaren, soms tot 5 op eenzelfde boom. Een groot aantal vlinders kwam nog eind oktober voor, tussen 24 oktober en 4 november. In deze periode meldde A. De Turck een tweede piek van 21 exemplaren op 1 november. Het laatste exemplaar, eveneens te Wenduine, op 9 november op smeer. Op 1 1 1 exemplaren in België zijn er 100 op smeer aangetroffen; dit verklaart waarom slechts 9 personen de vlinder meldden. Een wijQe, gevangen op 8 oktober te Haaltert, legde eitjes af.

Vindplaatsen: Ant(4): Poppel, Zwijndrecht; Bra.(l): SL-Jans-Molenbeek; Llm.(l): Maasmechelen; Luik.(l): Esneux; Lux.(l): Marbehan; Nam.(l): Franc-Waret^ O.VI.(ll): EekJo, Haaltert, Ursel; W.V1.(91): Koksijde, Wenduine.

Agrotis ipsilon (Hufnagel, 1766)

De ipsilon-uil was al zeer vroeg in het jaar present. Op 23 maart lokte A. De Turck een mannetje op smeer te Wenduine, de vroegste datum voor deze uil in ons land. In die periode was er evidentie voor een beperkte migratie, gekenmerkt in het voorkomen van een paar andere trekvlinders (zie tabel 2.). Gegevens uit Engeland bevestigen eveneens deze migratie gesteund door zuidelijke luchtstroming. In de tweede trekperiode van 1996, met name medio april met tropische luchtstroming, werd een volgend exemplaar waargenomen tijdens een nachtvangst te Lanaye (E. Stassart & B. Vanholder). In de volgende dagen volgden meer vlinders te Haaltert, Maasmechelen en Wenduine. Opvallend is dat deze data meermaals samenliepen met waarnemingen van V. atalanta en P. xylostella. Tijdens de juni-migratie ontbrak A. ipsilon evenmin in het migratiepatroon. De zomer en het najaar leverden de opvolggeneraties, die elkaar overlapten. Nooit echter werden op dezelfde plaats grote aantallen gezien. De belangrijkste aantallen werden eind september opgetekend (zie histogram) met het hoogste dagtotaal op 20 september. Oktober kende toch nog 28 vlinders en de waarnemingen eindigden op 1 november te Haaltert (B. Vanholder) en op 8 november te Marbehan (J.L. Renneson). Met 150 stuks een eerder gewoon jaar, het merendeel kwam uit Oost- en West-Vlaanderen. Voor zover dit opgegeven werd zijn er op smeer 25 ex. gevangen en op licht 60. Dit is opvallend verschillend met de voorgaande jaren toen nog het merendeel op smeer gevangen werd.

Vindplaatsen: AnL(7): Antwerpen, Poppel, Zwijndrecht; Bra.(l): Heverlee; Hen.(l): Chimay; Lim.(12): Maaseik, Maasmechelen, Ophoven; Luik(3): Lanaye, Lixhe, Wonck; Lux.(l): Marbehan; Nam.(ll): Dinant, Han-sur-lesse, Presgaux; O.VI.(72): Assenede, Daknam, EekJo, Haaltert, Hamme, Hamme- St-.Anna, Knesselare, Uisel, Zomergem; W.V1.(42): Deerlijk, Oedelem, Ruiselede, St-Denijs, Wenduine, Wingene.

Chrysodeixis chalcUes (Esper, 1789)

Het weze in het bijzonder opgemerkt dat in 1996 geen enkel exemplaar werd opgetekend. T. Garrevoet kon zelfs met behulp van het feromoon, in een gekende vindplaats, geen enkele vlinder vaststellen. Dit terwijl het vorig jaarverslag nog een kaartje bevatte (Vanholder 1996) dat mogelijke uitbreiding liet veronderstellen in België. Zijn de bestaande “populaties”, al dan niet in serres, verdwenen? Nederland telde daarentegen nog 23 vlinders (R. De Vos, e-mail).

Dwaalgasten en zwervers

Lozotaeniodes formosana (Geyer, [1830])

Deze bladroller begint goed herkend te worden door onze medewerkers: liefst 36 ex., enkel 1992 deed beter. Er kwamen weer wat nieuwe vindplaatsen bij. Het eerste ex. werd door H. Kinders gemeld op 27 juni te Hamme en een tweede te Lokeren op 5 juli. Rond half juli kwam de grootste dichtheid voor, met een maximum van 8 op 16 juli op 3

Phegea 25 (2) ( 1 .VI. 1 997): 52

verschillende plaatsen: Haaltert, Lokeren en Wenduine. Een vlinder werd nog op 30 juli te Hamme gezien. De laatste was ongewoon laat: Haaltert in de lichtval op 20 augustus, een nieuwe uiterste datum.

Vindplaatsen: Ant.(2): Poppel, Weelde; Bra(l): Vorst; Lim.(l): Zutendaal; O. VI. (22): Haaltert, Hamme, Lokeren; W.VI.(IO); Bredene, Ruiselede, Wenduine, Wingene.

Diasemia reticularis (Linnaeus, 1761)

Op 2 plaatsen is deze Pyralide weer gevonden. J.L. Renneson vond 7 vlindertjes op 1 juli te Rossignol, waar de soort in het verleden meermaals werd opgemerkt. A. Artoisenet verstoorde overdag 3 vlindertjes te Bruly op 28 juli.

Vindplaatsen: Lux. (7): Rossignol; Nam. (3): Bruly.

Hemaris fuciformis (Linnaeus, 1758)

Een zeer goed jaar met 88 vlinders en 10 rupsen. Er waren zelfs enkele ex. van een tweede generatie. Al heel vroeg zag W. Vandenbrande een vlinder te Resteigne. S. Wullaert zag de tweede te Thilay op 16 mei. Er volgden dagelijks waarnemingen vanaf 31 mei tot half juni (zie histogram). Het hoogste dagtotaal werd bereikt op 8 juni met 17 vlinders op 4 verschillende plaatsen. Laatste vlinder van de eerste generatie te Ensival op 26 juni (J. Chapelle). Rupsen zijn op Lonicera aangetroffen door M. Gillard te Presgaux en Couvin tussen 2 en 31 juli. Vlinders van de tweede generatie vlogen te Pont Ste.- Maxence-sur-Oise tussen 2 en 8 augustus (A. Levecque). In België werd het enige ex. van deze generatie te Mol gemeld op 5 augustus.

Vindplaatsen: Ant.(l): Mol; Luik(38): Barvaux, Comblain-au-Pont, Durbuy, Ensival, Theux; Lux. (5); Biron, Resteigne, Villers-sur-Lesse, Virton; Nam. (35 +10 rupsen): Couvin, Han-sur-Lesse, Presgaux, Roly, Vierves-sur- Viroin; Fra.(9): Pont Ste. Maxence-sur-Oise, Thilay, Velosnes.

Proserpinus proserpina (Pallas, 1772)

In 1996 maakte de soort een goed jaar mee en zette haar uitbreiding verder. Hoewel we net geen absoluut record hadden, is 19 stuks op 1991 na het hoogste aantal. In 1991 echter werden de 20 vlinders op 1 enkele plaats gezien, terwijl de soort in 1996 op verschillende vindplaatsen voorkwam, zonder uitzondering nieuwe vindplaatsen voor België. Vooral de uitbreiding in de provincies Luxemburg en Namen waren opvallend; hier werd de pijlstaart voornamelijk in volledig nieuwe UTM-hokken opgemerkt (zie verspreidingskaart). Het eerste exemplaar werd door E. Stassart op 15 mei te Lamorteau gezien en hij meldde een tweede te Lixhe op 22 mei. In het Luikse is dit pijlstaartje dus nog steeds present. K. Janssens ving P. proserpina in Laplaigne op 25 mei. Opgemerkt was het voorkomen van liefst 7 exemplaren bij valavond foeragerend te Han-sur-Lesse op 5 juni (E. Stassart en F. Bivert). Op dezelfde dag lokte B. Soyez een vlinder op HPL te Jemeppe-sur-Sambre. De laatste 2 vlinders werden te Han-sur-Lesse gezien op 17 juni. Rupsen werden eveneens gevonden: een volgroeide rups te Wépion op 16 juli (B. Misonne) en twee volgroeide rupsen te Marbehan op 22 juli (J.L. Renneson). P. proserpina heeft dus zijn populaties in België goed weten uit te breiden. Het verdient zeker aanbeveling om er in 1997 verder naar uit te kijken; de vlinders vliegen vooral in de schemering op allerlei bloemen: zenegroen, koekoeksbloem, silene, kamperfoelie, enz. De rupsen zijn eveneens slechts vanaf de vooravond actief en worden gevonden op wilgeroosje {Epilobium angustifolium) en basterdwederik (Epilobium sp.).

Vindplaatsen: Hen.(l): Laplaigne; Luik (3): Awirs, Lixhe, Wonck; Lux. (2 + 2 rupsen): Attert, Lamorteau, Marbehan; Nam. (10 + 1 rups): Han-sur-Lesse, Jemappe-sur-Sambre, Wépion.

Phegea 25 (2) ( 1 . VI. 1 997); 53

Fig. 14: Vindplaatsen in België van Proserpinus proserpina.

Hyles euphorbiae (Linnaeus, 1758)

Alle waarnemingen (uitsluitend rupsen) kwamen uit de kuststreek. D. Bonte (1997) telde op 12 augustus in De Panne 82 rupsen op zeewolfsmelk {Euphorbia paralias) . De volgende dag resp. 63 en 50 rupsen in Koksijde en Oostduinkerke. F. Sueur trof op 16 augustus 2 rupsen aan te St. Quentin-en-Tourmont. De laatste rupsen werden te Oostduinkerke op 25 augustus en 7 september gevonden. De kolonie aan onze Belgische kust houdt dus nog stand.

Vindplaatsen: W.VI.(205 rupsen): De Pann, Koksijde, Oostduinkerke; Fra(2 rupsen): St.-Quentin- en -Tourmont.

Hyles gallii (Rottemburg, 1775)

De aantallen namen fel af. Betekent dit dat lokale populaties stilaan hun toevlucht elders zoeken, of wordt er niet meer met evenveel aandacht gezocht naar de rupsen? Er werden 4 vlinders aangetroffen. Twee werden overdag gezien door T. Verw'aest op de Baraque de Fraiture op 9 juni, ze foerageerden op waterdrieblad {Menyanthes trifoliata). Op 1 1 juni foerageerde bij J.L. Renneson een vlinder overdag te Marbehan. De laatste werd gelokt door de HPL-lamp van S. Wullaert op 14 juni te Virton. De rupsen werden enkel door P. Cluck gemeld: 5 volgroeide rupsen te Xhoffraix op 19 augustus en 6 zeer kleine op dezelfde dag te Spa. Op 6 september te Spa nog 6 volgroeide rupsen. Een kweek uit in 1995 in het wild verzamelde rupsen, die in natuurlijke omstandigheden als pop overwinterden, was bij P. Cluck volledig geslaagd: ongeveer 20% is nog in 1995 uitgeslopen de rest ontpopte tussen 26 mei en 17 juli 1996.

Vindplaatsen: Lux.(2 imago's): Marbehan, Virton; Luik (2 imago’s + 17 rupsen): Baraque de Fraiture, Spa, XhofTraix.

Iphiclides podalirius (Linnaeus, 1758)

De koningspage werd weerom gezien op drie van zijn biotopen in België. Twee exemplaren op 30 mei, de meeste in juni en het laatste op 7 juli.

Maandtotalen: mei 2, juni 6, juli 1 .

PapUio machaon (Linnaeus, 1758)

1996 was een redelijk goed jaar voor de koninginnepage. Uit diverse plaatsen in Vlaanderen kwamen waarnemingen. Er waren twee generaties met de eerste vlinder op 2 juni te Omes (H. Nagel). De volgende dag werd te Hulst een vlinder gezien. Einde van deze maand werden rupsen gevonden, meestal op peenloof. Vanaf midden juli vloog de

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 54

tweede generatie met een top rond medio augustus. De laatste vlinder vloog op 25 augustus te Hulst (EVA). Eind augustus werden weerom rupsen aangetroffen te Merchtem (O. Van De Kerkhove), Anderlecht (W. Troukens) en Ste.-Marie-sur-Semois (J.L. Renneson). Uit de rupsen in Merchtem ontpopten gedurende hetzelfde jaar nog vlinders.

Vindplaatsen: Bra.(46): Anderlecht, Dilbeek, Itterbeek, Merchtem, Oud-Heverlee, St.-Jans-Molenbeek, Waanrode; Hen.(l): Mont-saint-Aubert; Llm.(27): Kanne, Kessenich, Kinrooi; Luik(3): Visé; Lux. (43): Dampicourt, Marbehan, Ste.-Marie-sur-Semois; Nam{4): Belvaux; O. VI. (5): Bellem, Dendermonde, Hansbeke, Ursel; W.Vl.(lO): Deerlijk, Kanegem, St.-Denijs; Z.V1.(19): Axel, Biervliet, Emmadorp, Hoek, Hulst, Lamswaarde, Sas van Gent, Sluiskil, St. -Jansteen; Fra.(l): Omes.

Aporia crataegi (Linnaeus, 1758)

Het jaar begon op 7 juni te Ste.-Marie-sur-Semois met drie groot geaderde witjes. Twee dagen later meldde J.L. Renneson er reeds 17 vlinders. Het enige exemplaar buiten de normale biotopen, foerageerde op Centranthus ruber in Harelbeke op 10 juni. In 1990 werd het groot geaderd witje eveneens in Harelbeke gevonden. Deze vindplaats verdient toch enige aandacht in de toekomst. Gedurende de volgende dagen werden de grootste aantallen opgetekend, het hoogste dagtotaal op 14 juni. Vanaf 20 juni nemen de aantallen fel af en in juli werden nog slechts enkelingen gezien. De laatste op 20 juli te Grumelange (B. Soyez) en te Ste.-Marie-sur-Semois (J.L. Renneson).

Vindplaatsen: Lux.(104): Grumelange, Houdrigny, Les Bulles, Marbehan, Meix-devant-Virton, Moyen, Ste.-Marie- sur-Semois, Villers-sur-Lesse , Virton, Wissembach; Nam(15): Han-sur-Lesse.W.Vl.(l): Harelbeke.

Polyommatus (Lysandra) coridon (Poda, 1761)

Een mannetje van dit blauwtje werd te Vorst aangetroffen op 23 augustus (R. Guinez). Dit is ver buiten het normale biotoop, een bewijs dat deze soort wel eens op de dool gaat. De andere waarnemingen komen van de vertrouwde kalkrijke hellingen, het geliefkoosde biotoop. Daar is de soort gewoonlijk talrijk te vinden: 9 exemplaren te Torgny op 5 augustus (J.L. Renneson), te Bouvignes op 15 augustus (M. Gillard) en te Poncelle op 27 augustus (J. L. Renneson).

Vindplaatsen : Bra.(l): Vorst; Nam. (3): Bouvignes; Lux. (12): Poncelle, Torgny.

Argynnis paphia (Linnaeus, 1758)

Na de eerste vermeldingen, vanaf 10 juli, uit de biotopen waar de keizersmantel inheems is, volgde een ex. op 22 juli te Ursel. M. Van Opstaele steldde reeds enkele jaren dat de populatie zich in de regio uitbreidde. In 1996 werd dit bevestigd: op 3 augustus te Moerbrugge (F. Jonkheere), op 4 augustus te Eeklo (F. Vandenbossche) en Ursel (G. Rappé), op 8 augustus te Beemem (G. Wieme), op 14 augustus te Eeklo en een laatste op 16 augustus weer te Ursel (M. Van Opstaele). In Zeeuws-Vlaanderen werden eveneens verschillende vlinders als zwerver opgemerkt: op 5 augustus te Hedwigpolder (E. Taelman) en 12 augustus te Hengstdijk (W. Prinsen). Moet dit gezien worden als verdere uitbreiding? De laatste was een vrouwtje te Lixhe op 22 augustus. E. Stassart vermeldde dat dit slechts het tweede exemplaar was dat hij in zijn tuin zag op 1 5 jaren.

Vindplaatsen: Luik(5): Barvaux, Lixhe; Nam. (3): Dourbes, Presgaux; O.Vl.(6): Eeklo, Ursel; W.VI.(2): Beemem, Moerbrugge; Z.V1.(4): Hedwigpolder, Hengstdijk.

Issoria lathonia (Linnaeus, 1758)

Van de kleine parelmoervlinder werden grotere aantallen gerapporteerd dan in 1995. Vooral aan de westkust was het voorkomen opvallend, maar ook de populaties in Luik schijnen zich uit te breiden; de enige vroege vlinders zijn daar gemeld door E. Stassart in Lanaye op 20 en 21 april. Het waren kleurfrisse exemplaren. Op 10 juni startte de zomergeneratie voor de soort in Grivegnée. De eerste vlinders aan de kust vlogen vanaf

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997); 55

25 juni in De Panne. Dit was het begin van een indrukwekkende serie die door D. Bonte (1997) werd gesignaleerd. Dit bevestigt de enkele waarnemingen uit 1994 en 1995, toen ze er terug opdoken na jarenlange afwezigheid. In Frankrijk meldde A. Levecque overigens hetzelfde massaal voorkomen te Pont Ste.-Maxence-sur-Oise. De gehele zomer zijn in de kuststreek vlinders bemerkt met het hoogste dagtotaal op 1 september. De laatste vlinder aan onze kust werd op 10 oktober door D. Bonte in De Panne gezien. Dit is een nieuwe uiterste datum in België.

Vindplaatsen: Luik(21): Grivegnée, Lanaye, Loën, Wonck; Lux.(4): Marbehan, Meix-Devant-Virton, Torgny; W,V1.(46): De Panne, Koksijde, Oostduinkerke; Fra.(47): Pont Sainte-Maxence-sur-Oise.

Nymphalis antiopa (Linnaeus, 1758)

De migratie uit 1995 had toch her en der sporen nagelaten. We haalden met 36 waarnemingen zelfs meer vlinders dan in 1995, hoewel we niet de gehoopte grote aantallen bereikten die op een herintroductie zouden wijzen. Nochtans waren de zeer droge weersomstandigheden in de winter hiervoor gunstig geweest. Niet langer dan 50 jaren geleden was de rouwmantel in het vroege voorjaar bij ons even talrijk te zien als de citroenvlinder (G. rhamni) (P. Cluck, pers med.). Misschien moeten we besluiten dat het geschikte microklimaat voor de soort niet meer aanwezig is. Twee waarnemingen betroffen vlinders in diapauze in de winter; op 6 januari werd te Eekio een ex. gestoord in een houtmijt. De vlinder werd naar Ursel getransporteerd en er op 14 januari temggezien (M. Van Opstaele). Met de eerste lentezon kwamen meer overwinteraars uit hun schuilplaatsen; G. Pierloot zag de rouwmantel te Kinrooi op 6, 7 en 9 april en te Maaseik en Rotem op 18 april. L. Dufraing zag een vlinder te Beerse op 15 april. De volgende dag werd in Ursel nog een lentewaameming bekend op 16 april (E. Van Aelst). Op dezelfde dag zag H. Spijkers ook een vlinder te Goirle, net over de grens met Nederland. S. Wullaert zag in dezelfde periode verschillende exemplaren in Les Hautes Rivières, een streek waar de rouwmantel nog steeds als inheems kan beschouwd worden. In Namen zijn de laatste 2 overwinteraars gezien: 31 mei te Petigny (M. Lambert) en 7 juni te Dourbes (A. Laudelout). De vlinder moet toch in het noorden van het land op enkele plaatsen in staat geweest zijn een populatie te vormen. Dit bewees het voorkomen in de zomer op dezelfde lokaliteiten als in de lente; 20 juli te Bree, 26 juli te Bocholt, 17 augustus te Kinrooi (G. Pierloot), op dezelfde dag nog te Ursel. De laatste vlinder betrof een overwinteraar, te Brugge St. Kruis op 23 oktober (K. Yssellée). Blijkbaar zijn de nog bosrijke streken zoals Noord-Limburg en de regio rond Ursel kanshebbers om populaties te herbergen.

Vindplaatsen: Ant.(l): Beerse; Bra.(l): Eigenhoven; Lim.(ll): Bocholt, Bree, Heusden-Zolder, Kinrooi, Maaseik, Rotem, Zolder; Nam.(2): Dourbes, Petigny; O. VI. (5): Eekio, Nokere, Ursel; W.Vl.(l): Brugge St.-Kruis. Fra.(15): Les Hautes Rivières.

Nymphalis polychloros (Linnaeus, 1758)

Opvallend was het groot aantal overwinteraars, vooral in Limburg en Zeeuws- Vlaanderen. Dit duidde toch op lokale populaties die geleidelijk aan lijken uit te breiden. Deze opmars in Vlaanderen werd gedurende de laatste jaren steeds duidelijker. Spijtig genoeg nemen onze Waalse collega’s niet veel moeite om de grote vos op te tekenen. We hebben er dus geen zicht op of de populaties daar eveneens talrijker waren. G. Pierloot zag de eerste 2 vlinders op 6 april te Kinrooi en zag misschien dezelfde vlinders nog terug op 7 en 9 april. Op 9 april meldde R. Beemaert een eerste te Harelbeke. De soort was nieuw voor het werkgebied “de Gavers”. Ze werd er in juli terug opgemerkt, wat kan duiden op het vestigen van een populatie. In Luik zag E. Stassart te Lanaye enkel overwinterende vlinders op 20 en 21 april. De laatste van deze genereatie zijn in Linchamps gemeld op 28 april door S. Wullaert. Bijzonder was nog een melding in Zeeuws-Vlaanderen op 9 juni (G. Prang). De zomergeneratie startte op 6 juli te

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 56

Harelbeke. In Noord-Limburg was eveneens sprake van nakomelingen: op 20 juli te Bree zijn 2 vlinders gezien door G. Pierloot, die ook de laatste twee optekende op 17 augustus te Kinrooi.

Vindplaatsen: Lim(19): Bocholt, Bree. Kinrooi, Maaseik, Rotem, Zolder.; Luik(3): Lanaye; Nam(l): Dourbes; O. VI, (1): Gent; W.VI.(4); Harelbeke; Z.VI.(5): Braakman, Hulst; Fra.(8): Les Hautes Rivières, Linchamps.

Stegania trimaculata (De Villers, 1789)

Enkel te Vorst aangetroffen, waar de soort in 1995 voor het eerst vermeld is. R. Guinez ving een mannetje van de eerste generatie op 1 juni en een vrouwtje van de tweede generatie op 29 juli.

Vindplaats: Bra.(2): Vorst.

Siona lineata (Scopoli, 1763)

Deze spanner werd vooral in zijn normaal biotoop gevonden. H. Nagel zag een ex. overdag reeds op 31 mei te Velosnes en de volgende dag op de Cóte St. Germain. Langs Belgische zijde was de soort op 14 juni te Virton bijzonder talrijk volgens S. Wullaert. B. Soyez meldde op 15 juni eveneens een tiental vlinders te Jemeppe-sur-Sambre. Hij stelt dat de soort daar, sinds hij er driejaar geleden kwam wonen, steeds talrijk te vinden was. Het enige markante feit was een vlinder op 14 juli te St.-Joris-Weert (F. Walterus). Dit is totaal niet in het verwachte biotoop en vermoedelijk ging het om een zwerver. Opmerkelijk is dat een andere “zwerver” in Harelbeke in 1987 eveneens op zo’n late datum in juli werd aangetroffen.

Vindplaatsen: Bra.(l): St.-Joris-Weert; Nam.(lO): Jemeppe-sur-Meuse,Lux.(25): Virton. Fra.(5).

Rheumaptera cervinalis (Scopoli, 1763)

Een zwak j aar, net zoals in 1995. Zelfs in Oost-Vlaanderen, dat gewoonlijk goed scoort in aantallen, werd daarvan slechts een fractie genoteerd. Er zijn evenmin nieuwe vindplaatsen bijgekomen. De eerste komen op rekening van W. Troukens te Dilbeek, twee stuks op 21 en één op 24 april. H. Kinders had eveneens een pover resultaat te Hamme en kon slechts 1 ex. van elke generatie melden: op 27 april en op 5 juni. In Zomergem op 3 mei (T. Sierens) en te Haaltert zag ik de spanner slechts op 12 en 20 mei. E. Stassart sloot het slechte jaar af op 5 augustus te Lanaye.

Vindplaatsen ; Bra.(3): Dilbeek; Luik(l): Lanaye; O.V'l.(5): Haaltert, Hamme, Zomergem.

Cryphia algae (Fabricius, 1775)

De eerste drie zijn door F. Coenen gezien tijdens een nachtvangst te Jette op 25 juli. G. Thoné meldde C. algae te Maasmechelen op 5 augustus; de volgende dag zag E. Stassart 4 ex. op licht te Lixhe. Dagelijks vlogen vlinders tussen 15 en 22 augustus, met het hoogste dagtotaal van 8 stuks op 20 augustus. De laatste twee te Lixhe (E. Stassart) op 3 september.

Vindplaatsen: Ant(4): Antwerpen, Poppel; Bra.(3): Jette; Lim.(13): Maasmechelen; Luik.(18): Lixhe; O.VI,(10): Eeklo, Haaltert, Hamme.

Catocala sponsa (Linnaeus, 1758)

Naar goede gewoonte lokte enkel M. Gillard dit prachtig weeskind. Zijn reeks startte op smeer op 7 augustus te Presgaux. Rond half augustus lag het hoogtepunt met dagelijks tot 6 ex., zowel op smeer als op HPL-licht. Het laatste ex. kwam naar smeer te Chimay op 27 augustus, de laatste datum ooit in België gemeld. In totaal 11 ex. op licht en 17 op smeer.

Vindplaats: Nam. (28): Chimay, Presgaux.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 57

Catocala fraxini (Linnaeus, 1761)

De enige twee exemplaren van het blauw weeskind werden gemeld tijdens lichtvangsten op 7 en 29 september te Linchamps door S. Wullaert. De vindplaats bevindt zich net over de Belgische grens.

Vindplaats: Fra.(2): Linchamps.

Tyta luctuosa (|Denis & Schiffermüller], 1775)

Enkel waarnemingen bij de Frans-Belgische grens. H. Nagel ving op 31 mei overdag twee exemplaren, één in Luxemburg en één in het Dept. Ardennes.

Vindplaatsen: Lux.(l): Chantemelle, Fra.(l): Velosnes.

Polychrysia moneta (Fabricius, 1787)

Ik vond een mannetje foeragerend op Silene dioica bij valavond te Maaseik op 20 juli. Het was reeds sinds 1988 geleden dat de soort nog in België gemeld werd. Een andere vermelding gedurende het laatste decennium kwam eveneens uit de provincie Limburg (Maasmechelen op 1 juli 1987). In het verleden werd de gelduil vooral langs de loop van de Maas herhaaldelijk waargenomen (Troukens 1994). Het verdient aanbeveling om er extra naar uit te kijken, wellicht kunnen lokale populaties zich hier een tijdje vestigen. De rups leeft o.a. op monnikskap {Aconitum napellus) en ridderspoor {Aequilegia sp.).

Macdunnoughia confusa (Stephens, 1850)

Deze Plusia kende voor het eerst een minder goed jaar dan het voorgaande. Er was ogenschijnlijk een eind gekomen aan de steeds verder gaande uitbreiding van de laatste jaren (Vanholder 1994). Daar waar de soort reeds jaren na elkaar goed stand hield waren er merkelijk minder waarnemingen. Daarentegen zijn toch enkele nieuwe vindplaatsen opgedoken. Bijzonder was het grote aantal Belgische meldingen in Zedelgem. Hier werd de soort door W. Vandenbrande pas in 1994 voor het eerst opgetekend. Blijkbaar kunnen lokale populaties een tijdlang opbloeien om na verloop van tijd weer te minderen. Het eerste uiltje werd reeds op 27 april te Maasmechelen naar HPL-licht gelokt(G. Thoné). Een reeks waarnemingen startte op 28 mei te St.-Jans-Molenbeek. De gehele zomer door waren er waarnemingen in niet duidelijk te onderscheiden generaties. Het laatste exemplaar werd door H. Kinders te Hamme opgetekend op 13 oktober. In totaal werden slechts 13 vlinders op licht gevangen. Bij 37 waarnemingen werden bloemen opgegeven zoals Buddleja en Sedum spectabile.

Bra (12): Anderlecht, Dilbeek, Heverlee, Ottignies, St.-Jans-Molenbeek, Vorst; Lim.(6): Maaseik, Maasmechlen, Luik(5): Lixhe, Stockay; O. VI. (17): Haaltert, Hamme, Lokeren, Maldegem, Mariakerke, Merelbeke,Ursle; W.VI.(32): Zedelgem.

Autographa bractea ([Denis & Schiffermüller], 1775)

Slechts op 1 vindplaats gemeld in 1996; te Beho werden door W. Vandenbrande in totaal 6 vlinders gezien op 17, 18 en 19 juni.

Vindplaats: Lux. (6): Beho.

Hoplodrina ambigua ([Denis & Schiffermüller], 1775)

Een buitengewoon goed jaar, met 568 stuks vestigden we een nieuw record. Het is niet geheel duidelijk, maar vermoedelijk zijn in ons land toch drie generaties voorgekomen (zie histogram). De eerste in juni, een kleine generatie in juli en de belangrijkste in het najaar, met een piek in september. De eerste H. ambigua werd te Lixhe verzameld op licht door E. Stassart op 31 mei, de laatste in deze periode vlogen medio juni. Deze periode komt precies overeen met het arriveren van talrijke echte trekvlinders. Is dit gewoon toevallig, of zijn de dieren toen echt meegereisd? Is het toevallig dat we in dit jaar dan ook zeer grote aantallen bekomen, terwijl dit de laatste

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 58

jaren minder het geval was? In de loop van juli werden steevast lagere aantallen opgetekend met plots een piek in de vierde pentade van augustus (zie histogram). Het hoogste dagtotaal lag op 3 september, net in de buurt van de piek in het voorkomen in de eerste helft van september. In oktober zijn nog slechts twee vlinders gemeld; op 3 oktober te Deerlijk (W. Vande Maele) en 8 oktober te Ursel (J. Bruselle). Ik herhaal nogmaals mijn oproep, zijn er echt nooit waarnemingen in de zuidelijke provincies van ons land ?

Vindplaatsen: Ant.(43): Antwerpen, Poppel, Zwijndrecht; Bra.(42): Anderlecht, Dilbeek, Heverlee, Ottignies, St.- Jans-Molenbeek, Vorst , Llm.(24): Maaseik, Maasmechelen; Luik.(66): Lanaye, Lixhe; O. VI. (197): Eeklo, Haaltert, Mariakerke, Ursel; W. VI. (195): Deerlijk, Gijselbrechtegem, Koksijde, Nieuwpoort, Oedelem, St.-Denijs, Wenduine, Zeebrugge; Fra.(l): Si\Ty-sur-Meuse.

Proxenus hospes (Freyer, 1831), nieuwe soort voor de Belgische fauna

Deze soort werd door P. Cluck op 24 oktobervoor het eerst in België gevangen. Samen met M. vitellina kwam te Esneux een ietwat afgevlogen exemplaar naar het laken. P. hospes is een eerder onopvallend uiltje, dat in Zuid-Europa zeer algemeen voorkomt. Het is in Frankrijk schadelijk voor cultuurgewassen zoals sla. In Engeland zijn tot op heden slechts 2 exemplaren gemeld; op 26 augustus 1978 te Lizard Point, Comwall en op 14 september 1993 te St. Agnes, Isles of Scilly (Clancy & Tunmore 1997), beide op de zuidwestkust, wat migratie kan laten vermoeden. In Duitsland werd op 31 juli 1992 een dwaalgast gezien te Essen (Wüst 1994). De mogelijkheid bestaat natuurlijk dat het hier om adventieven gaat, daarom is dus waakzaamheid geboden. De toekomst kan meer uitwijzen.

Chloantha hyperici ([Denis & Schiffermüller], 1775)

Met 39 waarnemingen verbeteren we het record dat in 1995 op 23 stond. Zoals in 1995 heb ik dit seizoen weer gepoogd de vlinders uit Belgisch materiaal te kweken. Poppen uit 1995 overwinterden succesvol en leverden buitenshuis eind mei 1996 de vlinders op. Precies op datzelfde tijdstip werden ook de eerste vlinders in de vrije natuur gezien. R. Guinez ving de eerste te Vorst op 20 mei. Dit is de vroegste datum tot nu toe voor de eerste generatie. Een tweede volgde op 28 mei weer te Vorst. In Vorst werd de soort voor het eerst gemeld in 1995. A. De Turck leverde weer de meeste waarnemingen; twee dieren van de eerste generatie trof hij dood aan op 10 juni samen met een nog levende vlinder. Op 20 juni werden nogmaals twee dode uiltjes gevonden. In het Brusselse kwam er tevens een nieuwe vindplaats bij, aansluitend bij de reeds gekende vindplaatsen; op 25 juli ving F. Coenen één C. hyperici te Jette. Vanaf 5 augustus begon ook te St.-Jans-Molenbeek de tweede generatie met drie vlinders. In totaal nog 27 vlinders tot 28 augustus. Dat de soort verder uitbreiding neemt is nu duidelijk. Naast Nederland in 1990, voegde Engeland in 1996 de soort toe als nieuw voor de fauna; een exemplaar werd gevangen te Dungeness (Kent) op 20 augustus. Dit was rond het tijdstip dat de soort bij ons op haar hoogtepunt vloog.

Vindplaatsen: Bra.(39): Jette, St.-Jans-Molenbeek., Vorst.

Mythimna albipuncta (IDenis & Schiffermüller), 1775)

Jaar najaar haalt deze uil goede cijfers. Zo haalde 1996 met 327 stuks het record van 1995 onderuit. Opvallend was de uitgebreide eerste generatie. Een uitzonderlijk vroege vlinder werd door K. Janssens op 29 april gevangen te Zwijndrecht; dit betekent een nieuwe vroegste datum voor deze uil in België. E. Stassart meldde op 18 mei het begin van een zeer uitgebreide voorj aarsgeneratie in het Luikse. Verschillende nachtvangsten leverden 20 en meer vlinders op. Dit is in het voorjaar eerder uitzonderlijk. De laatste exemplaren van deze generatie werden op 27 juni gezien. Op 17 juli werden de eerste dieren van de tweede generatie gesignaleerd door H. Kinders te Hamme. De aantallen groeiden aan tot een piek in de tweede helft van augustus (zie histogram). Daarna nemen

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997); 59

de aantallen snel af en op 3 oktober kon G. Thoné te Maasmechelen de laatste vlinder lokken op HPL. De vlinder dook op tal van plaatsen op waar hij gedurende de laatste jaren alles behalve een gewone verschijning was, dit was ondermeer het geval in West- Vlaanderen, Brabant en Antwerpen..

vindplaatsen: Ant.(32): Antwerpen, Poppel, Zwijndrecht. Bra.(8): Anderlecht, Ottignies, St.-Jans-Molenbeek, Vorst; Llm.(33): Maaseik, Maasmechelen, Ophoven ; Luik(205): Haccourt, Hermalle-s/-Argenteau. Lanaye, Lixhe, Polleur, Visé, Wonck; Nam.(3): Han-sur-Lesse, Presgaux; O.Vl.(31): Haaltert, Hamme, Ursel ; W,V1.(3): Deerlijk, Oedelem, St.-Denijs; Fra.(12): Sivry-sur-Meuse.

Mythimna l-album (Linnaeus, 1758)

Deze uil liet zich in beide generaties waarnemen. Eindelijk waren er in Brabant ook nog eens waarnemingen: R. Guinez startte te Vorst op 16 juni. G. Thoné ving de tweede te Maasmechelen op 19 juni. Op 28 juni werd het derde ex. van de eerste generatie gezien door J. Bruselle in Ursel. De tweede generatie was talrijker. G. Pierloot geeft de eerste door op 1 september te Kinrooi. Op een tweede plaats in Brabant waren er nog waarnemingen; A. Verboven ving te Heverlee vlinders op U.V.-licht op 13, 18 en 28 september. R. Guinez had nog exemplaren te Vorst van de tweede generatie: 26 september en 1 oktober. A. Verboven lokte de laatste op 10 oktober. Opvallend was dat op 13 vlinders er slechts 1 op smeer .gevangen werd; Maaseik, 28 september. Vindplaatsen:Bra.(7): Heverlee, Vorst; Llm.(5): Kinrooi, Maaseik, Maasmechelen, O.VI.(l): Ursel..

Mythimna sicula (Treitschke, 1835)

Dit jaar, onder impuls van onze oproep vorig jaar, werd er weer uitgekeken om de actuele situatie te kunnen inschatten. H. Nagel meldde de drie eerste te Sivry-sur-Meuse op 2 juni. E Stassart lokte te Han-sur-Lesse op 5 en 17 juni resp. 4 en 3 vlinders. Er moeten ongetwijfeld nog meer plaatsen bestaan waar de soort voorkomt.

Vindplaatsten; Nam.(7): Han-sur-Lesse.; Fra(3): Sivry-sur-Meuse.

Eurois occulta (Linnaeus, 1758)

Een nieuwkomer, die we voorlopig in onze lijst onder de zwervers rangschikken. Uit België waren enkel oudere gegevens bekend van enkele lokaliteiten waar de soort wellicht inheems was, vooral in het Luikse, zoals de Hoge Venen, Baraque-Michel. In de Scandinavische landen en op Shetland (U.K) zijn migraties van deze forse uil reeds langer bekend. In Engeland komt het gros van de waarnemingen steeds uit Shetland. In Schotland zijn lokale populaties gekend, maar hun sterk donkere kleur onderscheidt ze van de lichter gekleurde migranten, zoals die op Shetland gezien worden. In 1996 werden op Shetland meer dan 300 stuks geteld. Gewoonlijk worden de jaren dat hij er volledig ontbreekt afgewisseld met jaren met slechts enkele waarnemingen. Het gebied van oorsprong ligt dus ten noorden van ons. Hij kan wellicht migreren vanuit een richting die we niet dadelijk verwachten. In feite doet het patroon wat denken aan de migratie-route die N. antiopa volgt, zoals bijvoorbeeld in 1995 nog het geval was. In 1996 werden in Engeland in de periode tussen 14 en 20 augustus de belangrijkste aantallen van E. occulta gezien; op verschillende kustplaatsen in het oosten en noorden, zoals in Kent, East Sussex, Lincolnshire. Op 13 augustus kwamen zelfs 70 ex. op Shetland voor. Op de Zuid- of Westkust werden in 1996 nauwelijks meldingen gedaan. De vier vlinders die op Texel (Nederland) op 16 augustus verschenen, moeten in dezelfde migratie gesitueerd worden. De vlinder was er reeds tientallen jaren niet meer gezien (R. De Vos, in litt.). In Engeland werd E. occulta in 1996 in aantal gezien, niet verder dan Dungeness (Kent, UK), in vogelvlucht niet erg ver van ons land verwijderd. Migratie vanuit het noorden verklaart tevens de ligging van de waarnemingen in België (zie fig. 15). Alle ex. werden in het noordelijk deel gezien. B. Misonne meldde me enthousiast een vlinder te Poppel op 14 augustus. Dit is slechts de tweede vindplaats voor de provincie Antwerpen. De dag erna

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997); 60

zag M. Van Opstaele een vlinder op licht te Eeklo. Een volgende werd op 3 september gevangen te Ursel (J. Brusselle). De waarnemingen in O. VI. zijn de eerst bekende voor deze provincie. Op dezelfde derde september ving E. Stassart te Lixhe twee vlinders. Vijf exemplaren op biotopen waar de vlinder niet thuis hoort is wellicht geen toeval meer. Vindplaatsen ; Ant.(l) Poppel; Luik(2): Lixhe; O.VI.(2): Eeklo, Ursel.

Fig. 15: Vindplaatsen in West- Europa van Eurois occulta.

Aan M. Gillard voor zijn coördinatiewerk t.a.v. de franstalige medewerkers. Aan alle medewerkers van het BTO voor het nauwkeurig noteren en doorsturen van hun gegevens, vooral aan al diegenen die uitdrukkelijke melding maakten van exemplaren die migrerend werden waargenomen. Zij brachten heel wat nuttige informatie aan. Aan het voltallige sectie-bestuur van het BTO voor hun inbreng en discussie. Aan M. Honey (BMNH, London), S. Clancy (Kent), N. Ryrholm (Uppsala, Zweden), M. Pennington (Shetland), M. en A. Kelber (Tübingen, Duitsland), R. De Vos (Amsterdam, Nederland) voor enkele interessante discussies. Aan het KMI te Brussel voor de weerkundige gegevens. Aan de Uyttenboogaert-Eliasenstichting voor het verstrekken van subsidies. Aan Dr. P. Grootaert voor het verlenen van toegang tot de collecties van het KBIN te Brussel. Aan B. Misonne voor het klimatologisch overzicht van 1996. Aan P. Cluck voor de, op de voor hem kenmerkende charmante manier, gegeven toelating tot publicatie van een nieuwe soort voor de Belgische fauna. Aan B. Klaps voor de nodige software.

Phegea2S{2){\.W\.\991): 61

Tabel 1 ; Trekvlinders per decade in België 1996.

1 totaal 1

(T)

S

co

m

<N

«0

h-

8

o>

a

8

O

8

i

=

CN

=

r)

-

-

m

8

Oi

1

=

n

Cs(

CO

s

8

S

r*.

o

=

<3S

R

03

O

-

a

8

CM

CD

?

CD

1

8

S

8

R

ri

=

?

§

R

8

M-

8

1

-

n

IS

CM

8

<0

i

co

1

i

=

K

m

S

1

i

R

?

co

co

=

8

R

CNJ

i

i

i

co

-

S

<N

S

R

5

R

CO

I

1

CD

1

=

S

S

CO

«0

i

§

1

CD

8

co

8

CO

co

!

CM

-

O

8

co

8

8

1

1

-

co

CO

§

R

CD

R

CD

«0

8

I

O

-

g

O

o>

-

i

R

1

-

1

CO

CM

-

o

8

r*.

-

=

co

R

OC

R

-

-

S)

«D

CM

1

co

co

<N

CM

«0

CO

CO

-

CO

1 IJBBUJ 1

=

-

-

=

-

-

=

=

-

CM

c

=

CM

-

CM

1

i

1

1

}

1

-i

_s

1

1

1

5

Ü

1

d

5

5

1

CO

2^

>

«

1

ö

-S

t

i

CO

c

1

5

5

1

0.'

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 62

l ahcl 2 Dwaalgasten en /wervers per decade in Belgic 1996

5

Ê

s

O

s

S

3

s

«

s

s

3

■*

5

C

y

a

o

ï

■D

=

=

-

O

c

=

=

-

S

0

=

=

-

1 1

=

5

=

S

-

«

s

1 1

=

o

J

s;

s

n

*

2

-

«

s

-H,

E

«r>

=

a

O

-

O

1 1

r<

«

=

*

2

<N

*

-

-

-

-

R

-

-

-

-

-

-

-

-

-

1

=

-

»pf

o

=

m

-

1-

1 mrt 1

=

=

-

1

-

c

n

-

-

1

9

9

CD

?

n

3

1

-j

1

e

Q

1

s

X

1

E

E

1

1

1

E

i

E

X

01

X

I

E

E

1

1

!

S

it

E

cC

r

e

!

•<

1

1

c

m

Z

1

*

3

1

s

1

"5

c

et

i

m

O

:

1

o

■?

1

ü

i

«V

s

1

3'

1

E

«

X

1

•c

et

1

o

Ü

ai

E

5

s

al

1

3

ui

Phe^ea 25 (2) ( 1 .VI. 1 997); 63

Bibliografie

Bonte, D., 1997. Het voorkomen van Hyles euphorbiae, Aricia agestis, Hipparchia semele en Issoria lathonia in het duingebied van de Vlaamse Westkust in 1996. (Lepidoptera). Phegea 25: 1-5.

Cade, M., 1997. Reports from Coastal stations. Atropos 2; 68.

Clancy, S., 1997. Reports from Coastal stations. Atropos 2: 74.

Clancy, & Tunnmore, 1997. Reports from Coastal stations. Atropos 2: .

Funnell, D., 1997. Reports from Coastal stations. Atropos 2: 72.

Karsholt, O. & Razowski, J. (Eds.), 1996. The Lepidoptera of Europe. A Distributional Checklist. Apollo Books, Stenstrup.

Kelber, A.., 1996. Colour leaming in the Hawkmoth Macroglossum stellatarum.. J.exp.Biol. 199: 1 127-1 131. Knudsen, K . et al., 1994. Fund af Storsommerfugle i Danmark 1994. Kobenhavn 1994. P. 32.

KMI, Klimatologisch overzicht van het jaar 1996. http://www_meteo.oma.be/lRM-KMI/climate/na96_nl.html Leps-L: news:sci.bio.entomology.lepidoptera.

Pennington, M.., 1997. Lepidoptera Immigration into Shetland during August 1996. Atropos 2: 17-25.

Rennwald, E., 1994. Noctuidae, Geometridae und Microlepidoptera 1992. Atalanta 25: 67-146.

Sinnema, J., 1997. Overzicht van de Macrolepidoptera in Friesland 1996.

http://home.pi.net/~msinnema/vwg/macrolep.html Ryrholm, N., 1997. Migrating Moths into Sweden in 1996. http://www.fcom.se/butter/detail.htm Troukens, W., 1991. Een miskende trekvlinder: Cryphia algae. Nieuwsbrief BTO.

Troukens, W., 1994. Polychrysia moneta (Fabricius, 1787) in de Benelux. (Lepidoptera: Noctuidae). Phegea 22: 1-8.

Vanholder, B., 1994. Macdunnoughia confusa (Stephens, 1840), een areaaluitbreider.

Vanholder, B., 1995.Trekvlinders in 1994, elfde jaarverslag (Lepidoptera). Phegea 23: 71.

Vanholder, B., 1996. Trekvlinders in 1995, twaalfde jaarverslag (Lepidoptera). Phegea 24: 59.

Vanholder, B. et al., 1995. De Belgische trekvlinders, zwervers en dwaalgasten. Entomobrochure 6: 1- Wiist, P., 1994. Erstnachweis von Athetis hospes (Freyer, 1831) für die Bundesrepublik Deutschland (Lep, Noctuidae). Melanargia 6: 24.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 64

The identification of Apatura metis and Apatura ilia and their distribution in Greece and Turkey (Lepidoptera: Nymphalidae)

Jean Mairiaux & Jacques Hutsebaut

Abstract. An attempt of the use of morphometric analysis for the confident identification of Apatura metis and A. ilia. The known localities of A. metis and A. ilia in Greece and Turkey are reviewed and their list is updated with recent unpublished records.

Samenvatting. De determinatie van Apatura metis en Apatura ilia en hun verspreiding in Griekenland en Turkije (Lepidoptera: Nymphalidae)

De auteurs vermelden de reeds bekende vindplaatsen van Apatura metis (Freyer, [1829]) en Apatura ilia ([Denis & SchifTermüller], 1775) in Griekenland en Turkije en voegen daar de recent bekend geworden, maar nog niet gepubliceerde, gegevens aan toe.

Résumé. L’ identification d’ Apatura metis et d' Apatura ilia et leur répartition en Grèce et en Turquie (Lepidoptera: Nymphalidae)

Les auteurs donnent un aper^u des localités connues d' Apatura metis (Freyer, [1829]) et d' Apatura ilia ([Denis & Schiffermüller], 1775) en Grèce et en Turquie et les complètent avec des données récentes non encore publiées.

Key words: Apatura metis - Apatura ilia - Greece - Turkey - distribution - variability.

Mairiaux, J.: A. Vanlaethemstraat 16, B-1560 Hoeilaart.

Hutsebaut, J.: 48, rue Major Petillon, B-1040 Bruxelles.

Introduction

Until recently, only little information on the genus Apatura was available for Greece and there were no records at all for Turkey. Thanks to the investigations made by some lepidopterists (J. G. Coutsis, N. Ghavalas, J. Dils, D. van der Poorten, G. Müller and some others) more distributional data became known. In 1995 we decided to update the distribution maps for both Apatura metis (Freyer, [1829]) in Greece and Turkey and Apatura ilia ([Denis & Schiffermüller], 1775) in Greece. A. ilia has not been observed in Turkey so far, except for an unconfirmed record from the north-eastem part.

Differences between Apatura metis and A. ilia External morphology

Apatura metis can be distinguished from A. ilia by the following relative characters; Wing outline.

(1) \n A. ilia fore-wing is shorter but broader. (2) In A. metis fore-wing is more elongated, with a tapered apex.

Wing pattem.

Fore-wing. (1) In A. metis, the eyespot (ocellus) between veins Cu, and Cu2 is strongly reduced, at least dealing with the European populations; Varga (1978) published biometric data confirming this. (2) In A. ilia this eyespot is surrounded by a round orange periocellar border, compared with A. metis this border is ovale or even quadrangular. (3) A. metis has 2, rarely 3, white subapical and apical spots; A. ilia has 3, rarely 4 spots.

Hind-wing. (1) In A. metis, the external border of the submarginal pale band is regularly festooned because delimited by triangular extensions of the dark submarginal band along the veins. With regard to A. ilia this border is almost straight. (2) With regard to A. metis, the pale discal band is sharp intemally deviated in cell M2-M3. In A. ilia external border of this pale band presents no sharp angle and is precisely delimited. (3)

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 65

With regard to A. melis, the dark area limited by the discal and submarginal pale bands is significantly narrower. As compared to A. ilia, this area is homogeneous dark. With regard to A. ilia the dark area is larger; its extemal half is darker and tends to form isolated macules.

We have tried to corroborate the usefulness of this last character by biometric measurements (fig. 1).

Fig. 1. Biometric measurements (see charts 1, 2 and 3).

Legend of plate 1:

1 -Apatura melis v. orange morph, Hungary, Baja, Duna River, 21.V1I1.1983, J..Mairiaux leg.

2 - Apatura melis 9, white morph, Hungary, Baja, Duna River, 1 8.V111. 1988, J. Mairiaux leg.

3 - Apatura ilia white morph, Hungary, Kisvaszar (Komló), 30.V1.1995, G. Ariën leg.

4 - Apatura ilia d', orange morph, Hungary, Kisvaszar (Komló), 30.V1.1995, G. Ariën leg.

5 - Apatura metis (damaged), orange morph, Hungary, Kisvaszar (Komló), 30. VI. 1995, G. Ariën leg.

6- Apatura ilia c5‘, orange morph, Hungary, Bar Mohacs, Duna River, 28.V1.1995, G. Ariën leg.

7 - Apatura ilia orange morph, Greece, Ano Kliné, Nomós Flórina, 730 m, 25.V1.1995, J. Mairiaux leg.

8 - Apatura ilia 9, orange morph, Greece, Akritas, Nomós Flórina, 790 m, 25.V1.1995, J. Mairiaux leg.

Phegea 25 (2) (1 .VI. ! 997); 66

Plate 1

Phegea2S{l){\.V\.\991): 67

The biometric measures obviously show a difference between A. metis and A. ilia, with the exception of subspecies A. metis substituta, in Ussuri/Korea and Japan. The specificity and taxonomy of those populations are beyond the scope of this publication.

It was necessary to study the Gaussian distribution of the measured values in order to estimate more precisely the differences in this respect between the populations of both species.

We defined a cut off value for the relative width of the dark postdiscal band (B/A+B+C) of 0.40 for the males, 0.36 for the females. Only 5 males (1.0%) and no females (0 %) of A. metis were out of range. Only 1 male (1.5 %) and 3 females (10.3%) ofA. ilia were in overlap.

Wing venation.

Varga (1978) has pointed out and illustrated the differential venation characteristics conceming wing veins (veins 7, 8 and 9, or Rj, R4 and R5) of the fore-wings of A. ilia and A. metis but this character seems at least inconstant to us. AH available Greek material of both species belongs to the clytoid morph (f. clytie [Denis & Schiffermüller], 1775). In Central Europe the white form of A. metis seems to be very scarce. Only a few specimens are known. One female caught by the first author in Hungary is shown on plate 1, fig. 2. A characteristic orange morph is shown on plate 1, fig. 1 .

Genital structures (figs. 2-3)

Apatura metis can be distinguished from A. ilia by the following characters in the male genitalia:

overall size slightly smaller

Coastal margin of valva slightly more concave posteriorly

proximal end of tegumen tumed down (in lateral view)

distal end of aedeagus pointed (in lateral view)

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 68

Chart 1. Relative significance of the dark postdiscal area on upperside hind-wing (males and females) - mean, maximal and minimal values.

males

O

+

CD

+

<

0.6

0.5

0.4

0.3

0.2

0.1

0

re

D)

c

13

X

c re

re o

t I

O

Phegea2S{l){\y\.\991): 69

Plate 2

Phegea2S{l){\.\’\.\991): 70

Fig. 2: Male genitalia of Apatura melis (Freyer, [1829]); a. valva, b. tegumen + saccus, c. aedeagus, d. distal end of aedeagus (del. J. G. Coutsis).

Fig. 3: Male genitalia of Apatura ilia ([Denis & SchifTermüller], 1775); a. valva, b. tegumen + saccus, c. aedeagus, d. distal end of aedeagus (del. J. G. Coutsis).

Legend of plate 2:

1 - Apatura melis Greece, Didimóticho, Évros River, Nomós Évtos, 4.V111.1995, J. Mairiaux leg.

2 - Apatura melis 9, Greece, Didimóticho, Évtos River, Nomós Évtos, 5.V111.1995, J. Mairiaux leg.

3 - Apatura melis Greece, Strimonikó, Strimónas River, Nomós Séres, lO.Vlll.1996, J. Mairiaux leg.

4 - Apatura melis V, Greece, Strimonikó, Strimónas River, Nomós Séres, 9. VIII, 1996, J. Mairiaux leg.

5 - Apatura melis cT, Turkey, Silivri, Kinik River, prov. Istanbul, 2.VI.1996, J. Mairiaux leg.

6 - Apatura melis 9, Turkey, Edime, Tunca River, prov. Edime, 29. V. 1996, J. Mairiaux leg.

7 - Apatura melis 'T, Greece, Farangi Vikou, S. of Kónitsa, Voidomatis River, Nomós loannina, 29. VI. 1995, J.

Mairiaux leg.

8 - Apatura melis 9, Greece, Farangi Vikou, S. of Kónitsa, Voidomatis River, Nomós loannina, 28. VI. 1995, J.

Mairiaux leg.

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997): 71

measured specimens ( n ) measured specimens ( n )

Chart 2. Relative significance of the dark postdiscal area (males and females) - Gaussian distribution of the measured values. ,

males

120 -

100

80

60

40

20 -

melis THRAKI

melis EVROS

melis STRIMONAS

melis IPIROS

ilia GREECE

O) co CM

ci o

J I^x

CO

co CM <D

co «o co

ö

B/A+B+C

females

50

40

30

melis THRAKI

melis EVROS

melis STRIMONAS

melis IPIROS

ilia GREECE

co in

co

co CM

^ o

o

co m

co CM CD

CD lO CD

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997); 72

B/A+B+C

Variability of Apatura metis in Greece

No evident difference was observed between the metis populations of the Évros’ region, in Greece, and Turkey, and contiguous Turkish Thrakia In other rcspects we did not have the opportunity to significantly study the populations of the Néstos Valley, considering the small number of studied specimens.

Submarginal pale band - crescent-shaped spots.

With re^ard to the different studied populations (Turkish Thrakia/Évros, Strimónas I Valley and Ipiros), some specimens are characterised by submarginal pale spots with the I intemal border deeply penetrating into the spot and consequently forming oblate “crescents”. Analysing and counting up the different kinds of submarginal spots, quadrangular, crescent-shaped or intermediate, we obtained the following distribution:

%

Évros / Turkey

Strimónas

ipiros

crescent-shaped

1.2

48.4

17.3

intermediate

15.35

19.35

17.0

quadrangular

83.45

32.25

65.7

The crescent-shaped submarginal spots are exceptional in Turkey/Évros, the most frequent form in the Strimónas Valley and slightly predominant in Ipiros. The qualitative characters has significantly different distribution between each two of the 3 studied populations (p<0.01).

Width of the pale submarginal band.

The pale submarginal band is the largest in the populations of Strimónas Valley, character frequently associated with the crescent-shaped form of spots.

Relative size of the pale submarginal band (Chart 3).

The differences of biometric measurements between the Strimónas Valley population and all the others are statistically highly significant in both males and females (p<0.00001).

Width of the dark area between the two pale bands (discal and submarginal).

The specimens of Ipiros are, as a general rule, darker, with a larger brown area resembling the Hungarian specimens.

i

Phegea 25 (2) ( 1 . VI. 1 997); 73

0+a+v/v o+a+v/v

hart 3 Kclatisc si/c ol the palc >ubmargmal banJ

O 6 0 5 O 4 O 3 O 2 O 1 O

0 6 0 5 0,4 0 3 0,2 0 1 O

males

ra c o ,E

co

females

(/)

o

>

LU

to

rc

c

0

1

^hegea 25 (2) ( I VI, 1 997): 74

The distribution of Apatura metis in Greece and Turkey Records from literature

Greece.

“Salonika" [Thessaloniki] (3 specimens in The Natural History Museum, London) (Nguyen 1976). Probably the original habitat has been destroyed by extensive spraying of DDT after the World War II. There is but little hope to rediscover /l. metis ot A. ilia in the region, as investigations on the Southern banks of rivers like Gallikós, Axiós, and Loudias gave no result.

Drama “Paranéstion, along the river Néstos, north-east of Drama, 20. VII. 1977" (1 specimen of the second brood) (Willemse 1980: 156, 1981: 42). This is in fact the very first confirmed record of A. melis for Greece as the earlier record from “Western Rhodópi” (Kattoulas & Koutsaftikis 1977) is unreliable.

“Évros, Didimótiho” (Coutsis & Ghavalas 1991: 135). The authors observed the species in numbers near Didimótiho on 27th and 28th June 1991 but most of them “were well past their prime".

“Évros, Souflion, Anfang August 1978, leg. Gerilis, in coll. VLCA [Vlaamse Lepidoptera Collectie Antwerpen]” (Hesselbarth, van Oorschot & Wagener 1995: 968).

Turkey.

“Edime: Meri?, Subaji, 2Bo, 15-28.05.1994 Ic^ 19,25.07-03.08.1994 9r^cT 299 (GP No: 1493c?) (leg. SC) (Seven 1995: 5-6).

“Tekirdag, 10 km W[est of] Inecik, 1. VI. 1979, 5.V1.1982, leg. Müller - bei Balli, 5.VI.1982, 28.V.1983, leg. Müller” (Hesselbarth, van Oorschot & Wagener 1995: 968).

New records

Thrakia.

In this part of the Southern Balkans we found the most widely distributed populations over the Greek Nomós of Évros and the four Turkish provinces of Edime, Kirklardi, Tekirdag and Istanbul.

At the Greek side, in Évros the species is common along the Ardas Rivcr. We discovered it near Kómara, Kiprinos, and Rizia. It is also present along the very small river Kourounderes near Valtos which is a very atypical locality: the narrow, almost dry river is running in between cultivated fields; some willow trees {Salix spp.) are still growing here and there. It is present as well along the Erythropótamos River near Ellinohóri, along the same river nearly inside the village Didimóticho (plate 2, figs. 1-2), and along the Évros River near Pithio and Petrades.

AH these observations were done in July and August 1995 and 1996, and apply to the second brood. In some cases up to 20 specimens were seen at the same time (3.VIII.1995). When it is too hot and the atmospheric pressure is high, A. metis may be almost impossible to detect. It then prefers to stay motionless in the shadow of trees. This behaviour is particularly frequent at the end of the flight period when specimens are wom and prefer to save their energy.

At the Turkish side, east of the Évros River (Meri9 Nehri), A. metis is present in four provinces of the five in the European part.

In the province of Edime, we found it very abundant just north of the town of Edime along the Tunca River (plate 2, fig. 6) in early June 1996 (first brood), and near Uzunköprü along the Ergene River, near Bayramli along the same river.

In the province of Kirklareli, A. metis occurs near Pehlivanköy and Akarca along the Ergene River and its tributaries, and near Dügüncubasi.

In the province of Tekirdag, beside the observations of Müller (published in Hesselbarth, van Oorschot & Wagener 1995), we were able to locate the species ourselves at Kurtdere and Karliköy along the Ana River south-west of Saray.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997); 75

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 76

In the province of Istanbul, only one locality was detected near Silivri along the Kinik River (plate 2, fig. 5).

All these observations took place from 26 May to 2 June 1996, and apply to the first brood.

Makedonia.

Only 5 localities are known to us.

Nomós Kilki's, near Doïrani Lake, leg. J. Dils, coll. VLCA (J. Dils, pers. comm.), an area revisited by us, where we found it scarce and local along the lake.

Nomós Séres, all along the Strimonas River, Roupel, ca. 5-6 km south of the Bulgarian border, a very small population; Virónia, abundant; near Strimonikó, abundant; near Vamvakoüssa, a small population (plate 2, figs. 3-4).

In the past, A. metis probably occurred everywhere along the Strimónas River until the destruction of its habitat by human activities like the ecological disaster we have seen along the road from Nigrita to Séres: all vegetation is bumed or cut down and all the gravel and sand is removed to be used for the construction of new roads. All this activity causes an enormous cloud of dust.

Visits to several localities along the rivers Gallikós and Axiós remained without result.

East of the Strimónas River, in the Nomós Drama, A. metis seems to be rare. We observed only 6 specimens in Drama: near Paranésti and north of Mesochóri. B. Maes found a male specimen in Potami, a locality near Stavroüpoli was found by J. G. Coutsis. Due to the canyon-shape of the valley of the river Néstos, we were unable to find other suitable localities for the species. Our search south of Galani, where the river valley became accessible again, remained without success.

Despite extensive quest, no results were obtained in the provinces of Péla, Flórina, Kozani and Grevena. It seems that populations from Makedonia and Ipiros are separated by a large gap.

Ipiros.

^ The First two records of the species are: Nomós loannina, south of Kónitsa, near Aristi and near the village of Pópingo, in the Voidomatis River Valley (J. Dils 'pers. comm.).

In 1995, S. M. Morton found A. metis in several places in Thesprotia along the Thiamis River, between Igoumenitsa and loannina (pers. comm. to S. Cuvelier); B. Maes (1996) found it close to that locality near Neraida, TTiamis River.

We found the species in tree localities: in loannina, near Klidonia along the Voidomatis River plate 2, figs. 7-8), near Soulópoulo (ca. 30 km west of loannina) and in Thesprotia, near Pigadoülia (ca. 15 km north-east of Igoumenitsa). Further to the south, we found a small locality for A. metis in Preveza, ca. 50 km south of loannina near Kerasóna along the Loüros River, and along a river (we could not tracé its name) running west of Romia near Filipiada (ca. 66 km south of loannina). This is actually the southemmost confirmed (see below) population of A. metis in Greece.

Staudinger (1870: 56) reports the capture oV'Apatura v. Clytie Hb. Von Dr. Krüper sicher in Acamanien ausserst selten gefangen.” Bearing in mind the known distribution pattem of both A. metis and A. ilia in Greece, this record very probably applies to A. metis rather than to A. ilia, and, if so, it would represent the southemmost locality of A. metis in Greece (see shaded area on distribution map).

Phegea 25 (2) {\.W\.\991): 11

The distribution of Apatura Uia in Greece Records from literature

Dacie et al. (1972: 257) repoited the capture of one wom female north of Flórina in July 1971. This is actually the first confirmed record of A. ilia in Greece (see above).

Van der Poorten (1980: 24) found a couple west of Flórina (Pisodérion and Vamoüs Mts.) in July 1980.

New records

Compared to A. metis, the distribution of A. ilia seems to be much more restricted in northem Greece. Except for the region around Flórina, where the species can be fairly common, it occurs only in scattered populations over five nomi.

In Kilkis A. ilia has been found near lake Doïrani by: J. Dils and D. van der Poorten 1986. This is the eastemmost locality in Greece. The species has not been reported from Turkey. We discovered two populations on the Axiós River, near Polikastro where two wom specimens were observed by us and near Próhoma in August 1996.

In Flórina, J. Dils observed the species near Akritas in 1982, the First author captured it near Vatohóri in 1983, D. van der Poorten found it in Andartikón (700 m) in 1984, J. G. Cóutsis observed it near Agios Germanós, and we found the species near Kato Kliné and Ano Kliné in 1995 (plate 1, figs. 7-8).

In Kastoria, ca. 20 km north of Kastoria D. van der Poorten observed several specimens in 1989. We found it in 1985 between Eptachóri and Zoüzouli, in the Southwest of the Nomós.

To the northeast of loannina, the First author found the species near Pirsógiani in 1982. This is the southwestemmost locality for A. ilia in Greece known so far.

Sympatric occurrence

A. metis flies in two broods, in May and in late July - early August, whereas A. ilia occurs predominantly in mountainous areas (in Greece) and only one brood in July is known. Therefore, both species are not likely to be observed simultaneously. However, in some very rare occasions, they have been seen flying together within the same day, as J. Dils and D. van der Poorten 1986 and 1989 (J. G. Coutsis and N. Ghavalas pers. comm.) observed near lake Doïrani (Kilkis).

The sympatric occurrence of both species has been reported already by Nguyen (1970: 76). Noteworthy are the observations by G. Ariën, who found both species together in south Hungary in 1995 at Bar near Mohacs (plate 1, Fig. 6), westbank of the Danube and near Kiszvaszar (north of Komló) (plate 1, Figs. 3-5).

Acknowledgements

We want to express our gratitude to our friends W. De Prins, A. Olivier, D. van der Poorten, J. Dils, B. Maes, G. Ariën, A. De Koninck, for their valuable help and efFicient support during this study. We were very pleased to meet and discuss the manuscript with Dr. Y. P. Nekrutenko from Kiev. We want especialy to thank Mr. J. G. Coutsis, who provided us with a lot of Information. The very nice hand-drawings of the genitalia are due to him as well.

References

Coutsis, J. G. & Ghavalas, N., 1991. Agriades pyrenaicus (Boisduval, 1840) from N. Greece and notes on Apatura metis (Freyer, [1829]) from N.E. Greece (Lepidoptera: Lycaenidae, Nymphalidae). Phegea 19; 133-135.

Dacie, J. V., Dacie, M. K. V. & Grammaticos, P., 1972. Butterflies in Northem and Central Greece, July 1971. Entomologist's Ree. J. Var. 84: 257-266.

Hesselbarth, G., Oorschot, H. van & Wagener, S., 1995. Die Tagfalter der Türkei unter Berücksichugung der angrenzenden Lünder. 3 BSnde. Selbstverlag S. Wagener, Bocholt.

Kattoulas, M. & Koutsaflikis, A., 1977. Drei kleine entomologische Mitteilungen. Annales Musei Goulandris 3: 113-114.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 78

Nguyen, T. H., 1970. Note sur deux espèces jumelles d'Apatura Fabricius (Lep., Nymphalidae). Lambillionea I 68: 76-80.

I Nguyen, T. H., 1976 Les Apatura: Polymorphisme et Spéciation (Lépidoptères Nymphalidae). Editions Sciences NaL Compiègne, 86 p., 10 pis, 1 colour plate, 2 maps.

Seven, S., 1995. Trakya Lepidoptera Faunasina Katkjlar. Miscellaneous Papers. Ankara 23/24: 1-13.

Staudinger, O., 1870. Beitrag zur Lepidopterenfauna Griechenlands. Horae Soc. Ent. ross. 7: 3-304.

Van der Poorten, D., 1980. Dagvlinders in Noord-Griekenland in juli 1980. Phegea 9: 22-28.

Varga, Z., 1978. Remarques sur la validité et sur la répartition de «1’espèce» Apatura metis (Freyer, 1829) [Lepidoptera Nymphalidae]. Linneana Belgica 7: 192-208.

Willemse, L., 1980. Some interesting faunistical data of Rhopalocera in Greece (Lepidoptera). Ent. Ber., Amst. 40: 156-158.

j Willemse, L., 1981. More about the distribution of Rhopalocera in Greece (Lepidoptera). Ent. Ber., Amst. 41:

j| 41-47.

1

Phegea 25 (2) ( 1 .VI. 1 997); 79

Qoo9f®ss Of ^

^QlUrri),

XIth European Congress of Lepidopterology B-2390 Malle Belgium 22 - 26 March 1998

First announcement

The XIth European Congress of Lepidopterology will be organised by the Societas Europaea Lepidopterologica (SEL) in the “Provinciaal Vormingscentrum Malle , at about 25 km NE Antwerpen, Belgium, from Sunday 22 to Thursday 26 March 1998.

Plenary sessions;

Conservation biology Ecology and population biology Field reports and faunistics Systematics and phylogeny Zoogeography and biodiversity

Parallel sessions / Workshops:

Computer workshop Microlepidoptera Noctuidae Pest co n trol Tropical Lepidoptera

Registration form and details;

Dr. Ugo Dall’Asta

Royal Museum for Central Africa

B-3080 Tervuren (Belgium)

Tel.: +32.2.769.5373 Fax: +32.2.769.5695 e-mail; selcon98@africamuseum.be

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 80

Chthonius (Chthonius) minotaurus (Heterosphyronida, Chthoniidae), a new troglobitic pseudoscorpion from Crete

Hans Henderickx

Abstract. Chthonius (Chthonius) minotaurus sp. n., an eyeless troglobitic pseudoscorpion discovered in a limestone cave in Crete, is described.

Samenvatting. Chthonius (Chthonius) minotaurus sp. n., een blinde troglobionte pseudoschorpioen, gevonden in een kalkgrot op Kreta, wordt beschreven.

Résumé. Chthonius (Chthonius) minotaurus sp. n., une nouvelle espèce de pseudoscorpion anophtalme, trouvée dans une cave calcaire en Crete, est décrite.

Kcy words: Pseudoscörpjon - cavernicole fauna - Chthonius (Chthonius) minotaurus - new species - Crete.

Henderickx, H.: Hemelrijkstraat 4, B-2400 Mol, Belgium.

Introduction

Cave dwelling pseudoscorpions are well represented on Crete. The relatively constant microclimate of low temperature and high humidity provides survival possibilities for small and local populations. The epigeic ancestors might have been widespread in times of high humidity before the Pleistocene ice ages, resulting in cavemicolous relict populations nowadays. In July 1996 an expedition to Crete was organised to examine such populations.

A number of cavemicolous species were collected, most of them troglophylic or troglotoxenous. The majority of the invertebrates were found near the cave entrances, amongst moss and organic detritus where they made advantage of the moisture and lower temperatures.

On 7 July 1996 the “Koumas cave” (flg. I), a limestone cave in NW Crete was examined. In a deep gallery a depigmented Chthonius adult male specimen was found, completely anophthalmous, with prolonged pedipalps, all characteristics of a true troglobiont.

I

Mahnert (1980) mentions eight Chthonius species from caves on Crete, six of them belonging to the subgenus Ephippiochthonius, two to the subgenus Chthonius s. str. The absence of a dorsal depression on the hand of the pedipalps assigns the species from the Koumas cave to the latter subgenus.

Chthonius {Chthonius) lindbergi Beier, 1956 from the Neraido Spilia cave near Iraklion differs clearly from the species of the Koumas cave in the shape of the pedipalp. Smaller differences could be noticed between the captured species and the illustration in ithe original description of Chthonius (C.) herbarii Mahnert, 1980. The latter is a troglobitic species from the Aghios loannis cave on the peninsula Akrotiri, about 40 km |NW from the Koumas cave. It was possible to tracé and collect some adult specimens of jC. herbarii in the type locality during the same expedition, so an adult male of C. herbarii could be compared in detail with the male specimen from the Koumas cave. The atter species differs clearly from C. herbarii in relative length of the fixed finger of the oedipalp and in dentition of the movable finger. Therefore, the former specimen must be , egarded as an undescribed species that is described hereafter.

!

Phegea 25 (2) ( 1 . VI. 1 997): 81

Fig. 1 : Inside view of the type-locality of Chthonius (Chthonius) minotaurus sp. n., Koumas cave, Crete.

Chthonius (Chthonius) minotaurus sp. n.

Holotype S, Crete, Koumas cave, 35°19’00”N, 24°17’13”E, 250 m, 7. VII. 1996, H. Henderickx leg., deposited in the Royal Belgian Institute of natural Sciences, Brussels.

Phegea 25 (2) ( 1 . VI. 1 997): 82

Description. Habitus as illustrated (fig. 2). Cream white, cephalothorax, tergites and fingers of the pedipalp pale brownish, sclerotised. Total length (excluding chelicerae) 1.6 mm.

Carapace (fig. 3a) subquadrate (0.49 mm long, 0.47 mm wide), glossy, with 18 setae, two of which are on the posterior margin. Setal formula 4-Ó-4-2-2. Epistome absent, but the anterior margin of the cephalothorax has small serrations. No tracé of eyes.

Abdomen of usual Chtoniid facies. Tergal chaetotaxy 2-4-4-4-6-Ó-6-6-6-4 (fig. 3c).

Chelicerae (fig. 3b) carrying 6 setae and 2 microsetae plus 1 seta on the movable finger. Fixed finger with respectively (towards the apex) a dentate comb (8 rudimental teeth), 1 large and 1 smaller tooth. Movable finger with respectively a row of 6 small teeth, 1 isolated large tooth and 1 small sharkfln-like apical tooth. Galea represented by a low convex tubercle.

Pedipalpcoxa 3 setae, coxa I 3 setae + 3 setae on the inner edge, coxa II 4 + (7-8) setae, coxa III 5+4 setae, coxa IV 6 setae. Intercoxal tubercle 2 setae.

Anterior genital opercula 6 setae, posterior opercula 12 setae.

Stemite IV 10 macrosetae and 2 small lateral setae, stemite V 6 + 2 setae, the next 4 + |2 setae, last segment with 4 short plus 2 long setae.

Pedipalps (fig. 4a): femur (0.89 x 0.13 mm) 6.84 times as long as broad and 0.31 llarger than tibia (0.28 x 0.14 mm). Hand without dorsal depression. Total length of hand + fixed finger 1.24 mm, hand without finger (0.42 x 0.16 mm) 2.62 times as long as broad.

Fixed finger (0.82 x 0.04 mm) 1.95 times longer than movable finger. Fixed finger with 30 erect and pointed teeth, larger towards the apex. Movable finger with 23 erect ijteeth and 15 rudimental teeth towards the hand. Both fingers with terminal claw. ist ijclearly distally from esb, sb closer to b than to st.

Pedal proportions:

Leg I: femur I (0.35 x 0.06 mm) 5.83 times as long as broad; tibia I (0.22 x 0.05 mm) 4.4 times as long as broad; metatarsus I: 0.21 x 0.33 mm; tarsus I: 0.33 x 0.05 mm.

Leg II: femur II (0.35 x 0.06 mm) 5.83 times as long as broad; tibia II (0.20 x 0.05 mm) 4 times as long as broad; metatarsus II: 0. 1 8 x 0.05 mm; tarsus II: 0.27 x 0.04 mm.

Leg III: femur III (0.56 x 0.10 mm) 5.6 times as long as broad; tibia III (0.33 x 0.07 mm) 4.71 times as long as broad; metatarsus III: 0.19 x 0.05 mm; tarsus III: 0.50 x 0.04 pm.

Leg IV: femur IV (0.63 x 0.10 mm) 6.3 times as long as broad; tibia IV (0.38 x 0.08 mm) 4.75 as long as broad; metatarsus IV: 0.21 x 0.05 mm; tarsus 0.52 x 0.04 mm.

, Diagnosis. Males of the new species can be distinguished by the shape and l:haetotaxy of the pedipalp and the carapace. The teeth on the movable finger differ ;5ignificantly from the allied Chthonius {Chthonius) herbarii Mahnert, 1980. The new !5pecies can be distinguished from epigean Chthonius-s\)tc\Qs by the absence of eyes.

Etymology. Minotaurus is a noun in apposition, referring to the legendary creature Minotauros, sun of Pasifaë, who was locked up in the labyrinth under the palace of king Minos of Crete.

; Distribution. The species is known only from the type locality.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 83

Fig. 3: Chthonius (Chthonius) minotaurus sp. n., holotype a. carapace, b. view of opisthosoma..

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 84

Fig. 4; Lateral view of the hand of the right pedipalp; a. Chthonius (C) minotaurus sp. n„ holotype '3 (Crete, Koumas Cave, 7.VI1.1996); b. Chthonius {C.).herbarii Mahnert, 1980 (Crete, Aghios loannis Cave, 8. VII. 1996).

Discussion

The new species is closely related to C. (C.) herbarii. The teeth towards the apex of I the movable finger are erect and pointed, while C. (C.) herbarii shows sharkfin-like teeth I in the same area (fig. 5a). The fixed finger of the hand is more elongated in the case of C.

: (C.) minotaurus sp. n. (fig. 4a). Because of this elongated shape, the trichobotria are inserted in a more distal position. Est and it are situated more distal than st and t. In the case of C. (C.) herbarii, these pairs of trichobotria are located almost opposite of each 'other (fig. 5a). The pedipalp femur of both species differs in size: it is relatively longer in the case of C. (C.) herbarii (7. 7-8.3 times longer than broad according to Mahnert 1980,

, 8.5 times with our C. (C.) herbarii specimen and only 6.84 times with C. (C.) minotaurus Isp. n ).

j C. (C.) sestaesi Mahnert, 1980 from the Greek mainland (Ossa mountains), which also shows an elongated fixed finger, differs from C. (C.) minotaurus sp. n. in chaetotaxy !of the carapace (4 setae on the posterior margin). The pedipalp femur is more elongated I (8. 2-8. 4 times longer than broad in males according to Mahnert 1980).

I The nearest cave where a troglobitic Chthonius was found is situated on a peninsula, i40 km from the Koumas cave. C. (C.) minotaurus sp. n. shows extreme adaptations to ^cave life, and is obviously an obligate troglobiont, so it can be considered geographically completely isolated.

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997); 85

Fig. 5: Dentition on movable and fixed finger; a. Chthonius (C.) herbarii Mahnert, 1980 (Crete, Aghios loannis Cave, 8.VI1.1996); b. Chthonius (C.) minotaurus sp. n., holotype c? (Crete, Koumas Cave, 7.VII.1996).

In comparison with the epigean Chthonius species C. (C.) minotaurus sp. n. shows strong adaptations to cave life. Most striking are the loss of eyes and pigmentation and the increase in pedipalp length. These morphological changes must be considered as the result of an evolutionary process.

Phegea 25 (2) ( 1 . VI. 1 997): 86

The mechanisms behind this process have been discussed in different theories. Now, intensive studies of all kinds of troglobitics are revealing parts of it. The factors behind eye atrophy in blind mole rats {Spalax sp.) have been illuminated by Eviatar Nevo and colleagues (Diamond 1996). Without most of the brains visual structures, Spalax ehrenbergi saves at least 2% of its energy budget, and the free brain space is used for the exquisite development of other sensory modalities. The drastic reduction or complete loss of eyes in some troglobitic pseudoscorpions in combination with the expansion of sensory capabilities might be explained in this way. In a completely dark environment with only a scarce food supply, predators need the maximum of their sensory modalities to find prey.

Biology and ecology

In spite of intensive search only one specimen could be found. Such rare occurrence is not unusual in cave environments, where the lack of food necessarily leads to populations of low density. The specimen was found in a small crevice between the cave Wall and a stalagmite, under small pieces of stone. Some decaying organic detritus had fallen into the crevice and was used as food by Collembola and small Coleoptera, that are probably clements in a small ecosystem. Since there was no presence of Chiroptera in the cave, the pseudoscorpion and some spiders appear to be on top of this ecosystem.

The discovery of C. (C.) minotaurus sp. n. together with some other discoveries made in the Koumas cave, should contribute to a revalidation of this cave, which seems to contain an ancient ecosystem of important biological value.

Acknowledgements

The author is very grateful to Ilias Kaniadakis, keeper of the Koumas cave, who allowed to study the caves fauna. He is also indebted to Pavlos Lydakis for his generous hospitality. Fruitful discussions about troglobitic animals with Dr. Narcisse Leleup, Gijs Verkerk and Jan Bosselaers are also gratefully acknowledged. Thanks are also due to Anna Petrochilou for her kind advices conceming the caves, to the Laboratoire Souterrain du C.N.R.S. in Moulis and to Aline Raeymakers who spent long hours with the author in the caves.

References

Diamond, J., 1996. Competition for brain space. Nature 3S2: 156-151.

Mahnert, V., 1980. Pseudoscorpione (Arachnida) aus Höhlen Griechenlands, insbesondere Kretas. Archives des Sciences, Genève 32: 213-233.

I

1

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 87

Boekbesprekingen

Karsholt, O. & Razowski, J. (Eds.): The Lepidoptera of Europe. A Distributional Checklist.

29 X 21 cm, 380 p., met CD-ROM, Apollo Books, Kirkeby Sand 19, DK-5771 Stenstrup, Denmark, gebonden, 1996, DKJC 490,00 excl. verzending (ISBN 87-88757-01-3).

Sinds 1901 was het geleden dat er nog eens een volledige naamlijst verscheen van de Europese Lepidoptera. Dergelijke lijsten werden recent wel gepubliceerd voor Australië en Noord-Amerika en zelfs voor Zuid-Amerika is het eerste deel van de geplande checklist verschenen . De idee van een dergelijk lijst werd door J. Razowski geopperd tijdens het SEL-congres te Wageningen. Sindsdien is er heel wat werk verzet door heel wat specialisten. De grote moeilijkheid bleek een de eenstemmigheid te zijn. Vele mensen hadden heel verschillende opvattingen over de te gebruiken systematiek en de toe te passen nomenclatuur. Toch slaagden de editors erin om een geheel samen te stellen waar nog lang mee zal gewerkt worden.

De lijst bevat alle soorten Lepidoptera die in Europa voorkomen, en onder Europa dient te worden verstaan: het hele Europese continent tot aan de Oeral, het gebied ten noorden van de Caucasus, dwars door de Zwarte Zee, met inbegrip van Europees Turkije en de Griekse eilanden. Cyprus, Noord-Afrika, de Canarische eilanden en de Azoren zijn niet mee opgenomen wat uit zoögeografisch oogpunt gezien jammer is. Achter de systematische naamlijst staan kolommen om de verspreiding van de soorten aan te duiden in de verschillende Europese landen. Er zijn aparte kolommen voor België, Nederland en Luxemburg, maar slechts één kolom voor Wit-Rusland, Rusland, Oekraïne en Moldavië tesamen. Dit geeft uiteraard een nogal onevenwichtig beeld. Misschien was het beter geweest de Benelux samen te vatten in één kolom, alsook de Skandinavische en de Balkanlanden.

De gevolgde systematiek leunt sterk aan bij de recente opvattingen die in lokale lijsten gepubliceerd werden, maar toch zijn er enkele belangrijke wijzigingen. Zo zijn o.a. de subfamilies in de Geometridae totaal van plaats verwisseld, de Nolidae zijn als aparte familie uit de Noctuidae gelicht en ze bevatten enkele soorten die vroeger niet bij deze familie werden gerekend. De Arctiidae staan helemaal achteraan. Elke naam is voorafgegaan door een nummer dat dient voor verwijzingen naar eindnoten. Deze bestaan voor het grootste deel voor opsommingen van synoniemen. Jammer genoeg bevat de lijst zelf geen synoniemen, wat een snel gebruik hindert.

De CD-ROM bevat dezelfde lijst als een tekstbestand en als twee database-bestanden. Men kan ze gemakkelijk importeren in dBase, Access, Word e.d., al dient men wel voldoende geheugen in de computer te hebben omdat sommige bestanden redelijk groot zijn. Het is mogelijk om aparte families te selecteren, sorteren en af te printen.

Al bij al is dit een publicatie die nog lang van zich zal laten horen. Ze kan uitstekend dienst doen als basis voor het ordenen van een collectie. Het is een referentiewerk dat iedere lepidopteroloog zou moeten bezitten.

Willy De Prins

Tshikolovets, V. V.: The Butterflies of Pamir.

24 X 17 cm, 282 p., 40 kleurenplaten, 6 zwartwit-platen, F. Slamka, Bratislava, gebonden, 1997, te bestellen bij V. Tshikolovets, Schmalhausen Institute of Zoology, B. Khmelnitsky str. 15, UA-252601 Kiev-MSP, Ukraine, DEM 98,- excl. verzending (ISBN 80-967540-1-7).

Boeken over de dagvlinders van het Aziatische deel van het Palearctische gebied zijn ofwel schaars, ofwel uitgegeven in een volstrekt onverzorgde vorm. Dit boek maakt daar een welgekomen uitzondering op. Het is gedrukt op halfmat, zuiver wit papier en de kleurenplaten zijn van uitstekende kwaliteit. Zij maken de determinatie van de verschillende soorten zonder meer mogelijk, temeer omdat van elk afgebeelde vlinder zowel de boven- als de onderkant worden afgebeeld.

De tekst zelf is zeer summier en zakelijk gehouden. Men vindt er achtereenvolgens de volledige (trinominale) naam van de soort, een verwijzing naar de oerbeschrijving, vermelding van de typelokaliteit en het typemateriaal, alle vroegere vermeldingen van de soort voor het besproken gebied (Pamir), de verspreiding (mondiaal en in Pamir), de vliegtijd en een korte beschrijving van het biotoop.

Bij elke soort wordt een verspreidingskaartje afgedrukt. Hierop kan men de verspreiding in Pamir aflezen en, indien van toepassing, de exacte plaats van de typelokaliteit.

Achteraan volgen een lijst van soorten die wel voor Pamir werden vermeld in de literatuur, maar die er waarschijnlijk toch niet voorkomen, een uitgebreide literatuurlijst en een alfabetische index.

Iedereen die geïnteresseerd is in Palaearctische dagvlinders vindt in dit boek een uitstekende determineergids voor een zeer belangrijk gebied in Centraal-Azië. Door zijn degelijke druk en binding is het zeker zijn prijs waard. Het is nu wachten op het volgende boek van dezelfde auteur over de dagvlinders van Turkmenistan...

Willy De Prins

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 88

Melitaea aurelia new for Greece (Lepidoptera: Nymphalidae)

Dirk van der Poorten & Sylvain Cuvelier

Samenvatting. Melitaea aurelia nieuw voor Griekenland (Lepidoptera: Nymphalidae)

Résumé. Melitaea aurelia nouvelle espèce pour la Grèce (Lepidoptera: Nymphalidae)

Key words: Melitaea aurelia - Melitaea athalia - Greece - faunistics - genitalia.

Poorten, D. van der: Lanteemhofstraat 26, B-2140 Antwerpen.

Cuvelier. S.: Diamantstraat 4, B-8900 leper.

During a lepidopterological excursion to Greece in July 1991 the second author, accompanied by S. Spruytte, captured in the district Florina on 5.VII.1991, amongst a number of Melitaea athalia (Rottemburg, 1775) one smaller male specimen, the ground colour of which is less brown and the dark markings on the upperside of the wings are more regular than in M. athalia, which led us to the assumption that the specimen belonged in fact to M. aurelia Nickerl, 1850 (fig. 1). After examination of the abdominal end under the microscope, the wide posterior process of the valva confirmed its identity as M. aurelia. A complete dissection and drawing (fig. 2), establishing the determination, was made by Mr. J. G. Coutsis. Apart from the structure of the valva (as compared to athalia, see fig. 3) the nearly absent sub-unci and the elongate ostium-keel with uptumed apex and the small comuti of the aedeagus are obvious.

Ia b

I Fig. \ : Melitaea aurelia Nickerl, 1850, 3, Greece, Florina, near Andartikón, 5.VII.1991, leg. et coll. S. Cuvelier, a. upperside; b. underside (Foto: W. De Prins).

l‘'

As far as we know, it is the first time that this species is reported for the Greek fauna, ifhe habitat where the specimen was taken, consists of east-facing calcareous flowery plopes, along the foothills of Mt Vamous. It is somewhat surprising that it tums up in this iregion of Greece, since it is not included in the work of Schaider & Jaksic (1989), dealing with the butterfly fauna of ex-Yugoslav Macedonia. It is not known from Albania (Rebel & Zemy 1931). Abadjiev (1995) lists a number of localities in Bulgaria including among these “Rhodope Mts: Devin, Belovo”. Therefore, its further presence in Greece in North- East Macedonia could be expected.

I

1

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 89

Fig. 2; Melitaea aurelia NickerI, 1850, genitalia (same data as fig. 1) (Gen. prep. 2667 JGC).

Fig. 3: Melitaea athalia (Rottemburg, 1775), ■S genitalia, Greece, Makedonia, Ór. Ólimbos, 1000 m, 12. VI. 1966, leg. et coll. J. G. Coutsis (Gen. prep. 2668 JGC).

Acknowledgements

We would like to thank Mr. W. De Prins for the photographs (fig. 1) and Mr. J. G. Coutsis for the drawings (figs. 2-3).

References

Abadjiev, S., 1995. Butterflies of Bulgaria. Vol. 3: Nymphalidae: Apaturinae & Nymphalinae. Publisher, S. Abadjiev, Sofia, 159 p., 32 plates.

Rebel, H. & Zemy, H., 1931. Wissenschaftliche Ergebnisse der im Auftrage und mit Kosten der Akademie der Wissenschaftlich in Wien im Jahre 1918 entsendeten Expedition nach Nordalbanien. Die Lepidopterenfauna Albaniens (mit Berücksichtigung der Nachbargebiete). Denkschr.Akad. Wiss. Wien 103: 37-161.

Schaider, P. & Jaksic, P., 1989. Die Tagfalter von jugoslawisch Mazedonien. Selbstverlag P. Schaider, Miinchen, 82 p., 46 plates, 199 maps.

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1 997): 90

Description of Cinetus nyx sp. n. from Norway (Hymenoptera: Diapriidae)

Peter Neerup Buhl

Abstract. Cinetus nyx sp. n. (9) from Norway is described and figured. It is close to C. proclea Nixon, 1957.

Samenvatting. Beschrijving van Cinetus nyx sp. n. uit Noorwegen (Hymenoptera: Diapriidae)

Cinetus nyx sp. n. uit Noorwegen wordt beschreven en afgebeeld. Deze soort is het nauwst verwant aan C proclea Nixon, 1957.

Résumé. Description de Cinetus nyx sp. n. de Norvège (Hymenoptera: Diapriidae)

Cinetus nyx sp. n. (9) de la Norvège est décrite et figurée. Cette espèce nouvelle est prés proche de C. proclea Nixon, 1957.

Buhl, P.N.: Parmagaden 36, st. tv., DK-2300 Copenhagen S., Denmark.

Cinetus nyx sp. n.

Type material. Holotype Norway (EIS 77, MRI), Norddal, Tafjord, Fjora, Malaise- trap, 18.VII-1 l.IX.1993, leg. Oddvar Hanssen. Deposited in the Zoological Museum, University of Oslo. Unique.

Description of the holotype. Runs to the aberrant S. Swedish species C. proclea Nixon, 1957 in Nixon's (1957) key and is very similar to this species (cf. Nixon 1957). Differs from proclea in having 3rd tergite only as long as basal segment of hind tarsus and in having gaster beyond petiole fully 3 times longer than wide (fig. 1). In proclea, (third tergite is about 1.25 times longer than basal segment of hind tarsus, and gaster beyond petiole is hardly 2.5 times longer than wide, (cf. Nixon 1957). The widest part of gaster is situated distinctly more anteriorly in proclea than in nyx, making gaster of oroclea much different from that of nyx in general appearence, compare fig. 272 in Nixon 1(1957) with fig. 1 in the present description.

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997): 91

The eight known specimens of C. proclea were collected at about the 56° N lat.; C. nyx sp. n. was collected at about 62°20'N. Perhaps nyx has a more northem distribution than proclea.

C. nyx is named after the Greek goddess Nyx personifying the night, referring to the dark body colour of the species which probably also prefers shadowry habitats.

I thank Mr. Lars Ove Hansen (Zoological Museum, University of Oslo) for sending me the specimen of C. nyx.

Reference

Nixon, G. E. J., 1957. Hymenoptera Proctotrupoidea. Diapriidae subfamily Belytinae. Handbooks for the Identification ofBritish Insects VIII, 3(dii); 1-107.

Boekbespreking

Ebert, G. (Ed.): Die Schmetterlinge Baden-Württembergs Band 5 (Nachtfalter UI). Band 6 (Nachtfalter IV).

24,5 X 18 cm, deel 5: 575 p.., 400 kleurenfoto’s, 360 tekstfiguren, 133 verspreidignskaarten; deel 6: 622 p., 512

kleurenfoto’s, 433 tekstfiguren, 187 verspreidingskaarten. Verlag Eugen Ulmer, Postfach 70 05 61, D-70574 Stuttgart, gebonden met veelkleurige stofomslag, DEM 98,- per deel (ISBN 3-8001-3481-0 en 3-8001-3482-9).

Nadat in de eerste twee delen uit deze reeks de dagvlinders van Baden- Württemberg behandeld werden, en ‘in de delen 3 en 4 een aanvang werd gemaakt met de bespreking van de nachtvlinders uit dit gebied, zijn nu de twee volgende delen verschenen, eveneens over de nachtvlinders. In deel 5 worden de families Sesiidae, Arctiidae en enkele subfamilies van de Noctuidae besproken door verschillende specialisten terzake. In deel 6 volgen verdere subfamilies van de Noctuidae.

Beide delen zijn op dezelfde wijze opgevat als de vroeger uitgegeven delen in deze reeks. Deel 5 vat aan met een indeling van het besproken gebied in natuurlijke streken, een checklist van de soorten uit de families Sesiidae, Arctiidae en Noctuidae en bespreking van de graad van bedreiging en voorstellen van maatregelen om de meest bedreigde soorten te beschermen.

De bespreking van de afzonderlijke soorten in het systematische deel bevat de volledige naam van de soort met synoniemen en verwijzingen naar literatuurvermeldingen. De algemene verspreiding van de soort wordt aangegeven en de verspreiding in Baden- Württemberg wordt zeer gedetailleerd besproken, met vermelding van de eventuele achteruitgang van de soort (van vooruitgang is jammer genoeg haast nooit sprake!). De verspreiding wordt aangegeven op een kaartje. Er is tevens aandacht voor de vertikale verspreiding. In het deel over de fenologie staan gegevens over de vliegtijd van het imago en over de levenswijze van de eerste stadia. In het deeltje over de ecologie vindt men informatie over het biotoop, het voedsel van de rups en het imago en het gedrag. In een aparte paragraaf wordt eengegeven of de soort voorkomt in de Rode Lijsten van de Duitse Bondsrepubliek of van Baden- Württemberg. Hierbij geeft men aan of de soort overal, of slechts in enkele gebieden bedreigd is. Tevens wordt gepoogd te achterhalen waarom de soort in bepaalde gebieden achteruitgaat zodat men tevens maatregelen kan nemen om de achteruitgang te vertragen of zelfs te stoppen.

De boeken zijn doorlopend geïllustreerd met tal van prachtige kleurenfoto’s van eieren, rupen of vlinders in de vrije natuur of van geprepareerde exemplaren, ook van biotopen. Diagrammen geven informatie over de vliegtijd en de vertikale verspreiding. Elk deel wordt afgesloten met een alfabetische index van de in dat deel behandelde soorten.

Zoals de vorige delen, zijn beide boeken zeer verzorgd uitgegeven. Zij verdienen een plaats in de boekenkast van iedereen die zich met Europese nachtvlinders bezig houdt.

Willy De Prins

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997): 92

Eerste waarneming van Pelosia obtusa in de provincie Antwerpen (Lepidoptera: Arctiidae)

Alex Riemis & Frank Verhoeven

Abstract. First observation of Pelosia obtusa (Herrich-Schaffer, 1847) in the province of Antwerp (Lepidoptera: Arctiidae)

Résumé. Première observation de Pelosia obtusa (Herrich-Schaffer, 1847) dans la province d’Anvers (Lepidoptera: Arctiidae)

Key words. Pelosia obtusa - province of Antwerp.

Riemis, A.: Rerum Novarumlaan 41, B-2300 Turnhout.

Verhoeven, F..: Scheperstraat 1, B-2340 Beerse.

Tijdens inventarisaties in het natuurreservaat de Lokkerse Dammen te Arendonk werd op 1 Juli 1995 een exemplaar van Pelosia obtusa (Herrich-Schaffer, 1847) waargenomen. Dit gebeurde d.m.v. een Heath-trap, opgesteld in een moerassig gedeelte van het terrein. De soort was voorheen nooit vermeld uit de provincie Antwerpen. Het voorkomen in België beperkte zich tot twee moerassige terreinen in de provincie Limburg, nl. in Diepenbeek en Neerpelt (Hackray 1969-1983).

In Nederland werd de soort voor het eerst ontdekt in 1939. In het elfde deel van zijn catalogus vermeldt Lempke (1952) 1 vindplaats in de provincie Friesland en Utrecht en 2 vindplaatsen in de provincie Noord-Holland. In het achtste supplement worden daar, voor wat het aangrenzend gedeelte aan België betreft, volgende nieuwe vindplaatsen aan toegevoegd; De Kampina, Best, St.-Antonius en Deume in de provincie Noord-Brabant. Uit de provincie Limburg worden de locaties Plasmolen en Montfort genoemd.

De nieuwe vindplaats te Arendonk sluit dus aan bij het tot nu toe gekende verspreidingsgebied. Het voorkomen van de soort beperkt zich tot zeer vochtige biotopen. Door de oppervlakkige gelijkenis met micro’s wordt P. obtusa misschien wel eens over het hoofd gezien. Bij het vermelden van de vindplaatsen in de Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera merkt Lempke het volgende op; “Alleen al om P. obtusa zou het dus verantwoord zijn om het Noord-Hollandse-Utrechtse plassengebied als natuurmonument te handhaven!”. P. obtusa is dus wel een zeer belangrijke biotoopindicator, en zijn voorkomen tot op heden in de Lokkerse Dammen moet voldoende zijn om dit gebied te vrijwaren tegen elke negatieve invloed van buitenaf.

Literatuur

Hackray, G. & SarleL L. G., 1969-1983. Catalogue des Macrolépidoptères de Belgique. Supplement bij Lambillionea 1969-1983.

Lempke, B. J., 1952. Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera deel XI. Tijdschrift voor Entomologie 95: 197-319.

Lempke, B. J., 1961. Catalogus der Nederlandse Macrolepidoptera (achtste supplement). Tijdschrift voor Entomologie 104: 111-186, platen 9-12.

4

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997); 93

Boekbesprekingen

Stichmann, W. & Kretzschmar, E.; Der neue Kosmos Tierfiihrer.

19,5 X 13,5 cm, 448 p., 1389 kleurenfoto’s, Frankch-Kosmos Verlags-GmbH & Co., Stuttgart, gebonden in slappe kaft, 1996, DEM 29,80 (ISBN 3-440-07067-0).

Bijna iedereen is geïnteresseerd in het leven van dieren en vooral wie graag in de natuur wandelt, wil weten hoe het dier heet dat daar kruipt of vliegt. Precies om aan deze nood te voldoen is deze natuurgids opgevat. Het hele boek bestaat haast uitsluitend uit kleurenfoto’s van de meest uiteenlopende diersoorten, zo’n 5 a 8 per bladzijde. Op de tegenoverliggende pagina staat de bijhorende tekst afgedrukt. Deze gaaft informatie over deteimineerkenmerken, het voorkomen van de soort en allerlei wetenswaardigheden.

Het boek vangt na een korte inleiding aan met de zoogdieren. Dan volgen de vogels en enkele kleinere groepen tot aan de insecten. Vooral de vogels en de insecten beslaan ettelijke bladzijden. Elke groep is met een aparte kleurencode gemakkelijk op te zoeken. . , a

Dit is eén uitstekend boekje voor wie er alleen of met de familie graag eens op uittrekt en daarbij oog heeft

voor de dieren in de natuur.

Willy De Prins

Engelhard^ W.: Was lebt in Tümpel, Bach und W eiker? Pjlanzen und Tiere unserer Gewüsser.

20 X 13,5 cm, 313 p., 69 kleurenplaten, 91 kleurenfoto’s, Frankch-Kosmos Verlags-GmbH & Co., Stuttgart, gebonden, 1996, DEM 49,80 (ISBN 3-440-06638-X).

Dit is alweer de 14de uitgave van dit practische determineerboekje. Er is heel wat verbeterd en toegevoegd aan de tekst en vooral aan de illustraties, zodat boek helemaal niet meer te vergelijken is met de eerste uitgave. Zo zijn er nu voor het eerst ook vissen, amfibieën, reptielen en zoogdieren opgenomen. Daarvoor waren niet minder dan 14 extra platen nodig, alle even prachtig uitgevoerd.

In de inleiding worden de verschillende soorten waterrijke biotopen besproken, van bergbeek tot poel, ven, moeras, vijver en meer. Maar het hoofddeel van het boek blijft bestaan uit de kleurenplaten en hun bijhorende teksten die het determineren van de verschillende levensvormen in en rond het water moeten mogelijk maken. Zowel planten als dieren komen aan bod. In de tekst staan her en der nog kleurenfoto’s van de verschillende planten en dieren.

Naast het determineeraspect zit er ook heel wat bijkomende informatie in de tekst, o. a. over de levenswijze van de verschillende soorten, het aantal soorten dat voorkomt in Duitsland en hun verspreiding.

De platen zijn van uitstekende kwaliteit. Zij bestaan uit aquarellen van adulten, maar ook van eieren, larven en voedselplanten. Telkens staat links over welke soort het gaat en hoe men de soort van verwanten kan onderscheiden.

Het boek eindigt met een literatuurlijst en een alfabetisch register. Het is stevig ingebonden en keung uitgegeven. Daardoor kan het heel wat keren meegaan op ontdekkingstochten langs het water.

Willy De Prins

van Stuivenberg, F.; Tabel en verspreidingsatlas van de Nederlandse Steninae (Coleoptera: Staphylinidae).

29,5 X 21 cm, 60 p., 145 tekstfiguren. Stichting EIS-Nederland, Nationaal Natuurhistorisch Museum, Postbus 9517, NL-2300 RA Leiden, paperback, 1997, NLG 14,- {Nederlandse Faunisitische Mededelingen 6).

Deze publicatie bevat een uitstekende determineertabel voor de Nederlandse Steninae (met talrijke figuren) en verspreidingskaartjes van alle soorten. De beschrijvende tekst bevat naast de wetenschappelijke naam info over de uiterlijke kenmerken, de verspreiding (algemeen en meer gedetailleerd voor Europa) en het voorkomen. De

vangdata worden in een diagram voorgesteld. .

De brochure is erg keurig uitgegeven en verdient een plaatsje in de bibliotheek van iedereen die in

Staphylinidae geïnteresseerd is.

Willy De Prins

Phegea 25 (2) (1 .VI. 1997); 94

Schrankia taenialis in Oost-Vlaanderen (Lepidoptera: Noctuidae)

Mare Van Opstaele

Abstract. Schrankia taenialis observed in East-Flanders (Lepidoptera: Noctuidae)

A specimen of Schrankia taenialis (Hübner, [1809]) was observed on light in the nature reserve "Het Leen” at Eekio (East-Flanders) on 22 July 1996. It is the first observation of this species in Flanders.

Résumé. Schrankia taenialis observé en Flandre oriëntale (Lepidoptera: Noctuidae)

Un exemplaire de Schrankia taenialis (Hübner, [1809]) fut observé Ie 22 juillet 1996 dans la réserve naturelle "Het Leen” a Eekio (Flandre oriëntale). C’est la première fois que cette espèce est observée en Flandre.

Key words. Schrankia taenialis - East-Flanders - Belglum - faunistics.

Van Opstaele, M.; Vrekkemstraat 73, B-9910 Knesselare (e-mail: marc.van.opstaele@netlink.be).

Op het einde van 1995 kreeg ik de toelating om onderzoek te doen naar het voorkomen van de Sesiidae in het provinciaal domein "Het Leen" te Eekio. Daarbij werd tevens een toelating voor nachtvlinderonderzoek gedurende vijfjaar bevestigd. In 1996 heb ik daar ten volle gebruik van gemaakt. Tot op heden ben ik in dat gebied 17 keer gaan inventariseren. "Het Leen" is een bosgebied waar zeer veel betonnen banen zijn getrokken met brede lanen waar de zon gemakkelijk bij kan en zo de groeikans biedt aan nectarrijke planten. De vele aandacht die besteed wordt aan beheer komt ten goede aan de , vegetatie en uiteraard ook aan het insectenbestand.

Tijdens een nachtvangst op 22 juli 1996 zat er één exemplaar van Schrankia taenialis (Hübner, [1809]) op de lamp (HPL-lamp van 125 watt). Het was een zeer zachte avond met temperaturen van ongeveer 24°C. De waamemingstijd liep van 22.25u tot 1.1 5u. Het was een heldere en windstille avond. De vlinder was licht afgevlogen en trok zeer goed op een micro. Misschien is dat één van de redenen waarom deze vlinder weinig wordt gezien. Volgens Koch (1984) vliegt de soort in twee generaties: een eerste van begin juli tot begin augustus en een tweede van eind augustus tot eind september. Van de gegevens mij bekend werden er geen Belgische vlinders gezien van de tweede generatie. Ook is de vlinder vroeger gezien dan in dit werk wordt aangegeven. Volgens Skinner (1984) wordt de soort gezien in één generatie van begin juli tot begin augustus. Dit leunt zeer dicht aan bij de gegevens dit tot hier toe in België bekend zijn. In het wild levende rupsen zijn in Engeland nog niet gezien. Volgens Koch (l.c.) is de rups gezien op Calluna vulgahs en j Thymus serpyllum. De soort overwintert als rups.

Volgens Hackray & Sarlet (1969-1983) is de vlinder slechts bekend van de I Kalkstreek en Lotharingen en volgens Janssen (1977-1988) zit de vlinder niet in de I provincie Antwerpen.

1 Ikzelf ben even gaan neuzen in het KBIN (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) naar gegevens van deze vlinder. De vroegste waarneming dateert van 5 juli 1919, Maredsous (leg. E. de Hennin). De meeste andere exemplaren dateren van 1947 te Aye, waar door F. Richard en E. Janmoulle in totaal 19 exemplaren verzameld werden. Van 1929 tot 1947 zijn 6 exemplaren gezien door F. Derenne in het bos van Loverval. De vlinders in het KBIN dateren allemaal van 15 juni tot 30 juli. Er ! zijn geen exemplaren aanwezig uit Vlaanderen.

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997): 95

Na al deze bronnen te hebben geraadpleegd, denk ik te mogen stellen dat dit exemplaar van S. taenialis het eerste is dat in Vlaanderen is gezien. Indien er naast deze, toch nog gegevens bekend zijn van deze soort mogen deze mij altijd worden meegedeeld.

Dankwoord

Met dank aan Etienne Vanaelst, Boudewijn Kindts, Filip Van Den Bossche en Filip Verselder die meegeholpen hebben de vlinders op deze avond te helpen inventariseren.

Literatuur

Hackray, G. & Sarlet, L. G., 1969-1983. Catalogue des Macrolépidoptères de Belgique. Supplement bij Lambillionea 1969-1983.

Janssen, A., 1977-1988. Katalogus van de Antwerpse Lepidoptera. Deel !: Macrolepidoptera. Supplement bij Phegea 1977-1988, 232 p.

Koch, M., 1984. Wir bestimmen Schmetterlinge. Neumann Verlag, Leipzig, Radebeul, 792 p.

Skinner, B., 1984. Colour Identification Guide to Moths of the British Isles (Macrolepidoptera). Viking, Penguin Books Ltd., Middlesex, 267 p.

Inhoud:

Buhl, P. N.: Description of Cinet^s nyx sp. n. from Norway (Hymenoptera; Diapriidae) ...

91

Henderickx, H.: Chthonius (Chthonius) minotaurus (Heterosphyronida, Chthoniidae), a

new troglobitic pseudoscorpion from Crete 81

Mairiaux, J. & Hutsebaut, J.: The Identification of Apatura melis and Apatura ilia and

their distribution in Greece and Turkey (Lepidoptera: Nymphalidae) 65

Riemis, A. & Verhoeven, F.: Eerste waarneming van Pelosia obtusa in de provincie

Antwerpen (Lepidoptera: Arctiidae) 93

van der Poorten, D. & Cuvelier, S.: Melitaea aurelia new for Greece (Lepidoptera:

Nymphalidae) 89

Vanholder, B.: Trekvlinders in 1996, dertiende jaarverslag (Lepidoptera) 41

Van Opstaele, M.: Schrankia taenialis in Oost-Vlaanderen (Lepidoptera: Noctuidae).... 95 Boekbesprekingen 88, 92, 94

verantw. uitg.: W. De Prins, Diksmuidelaan 176, B-2600 Antwerpen (Belgium) - Tel: 0032-3-322.02.35

Phegea 25 (2) (1. VI. 1997): 96

driemaandelijks tijdschriA van de

VLAAMSE VERENIGING VOOR ENTOMOLOGIE

AfgiAekantoor Antwerpen X ISSN 0771-5277

Redactie: Dr. J.-P. Boric (Compiègne, France), T. Garrevoet (Antwerpen), B. Goater (Chandlers Ford, England), Dr. K. Macs (Gent), Dr. K. Marlens (Brussel), Dr. Y. P. Nekrutenko (Kiev), A. Olivier (Antwerpen), H. van Oorschot (Amsterdam), D. van der Poorten (Antwerpen), W. O. De Prins (Antwerpen).

Redactie-adres: W. O. De Prins, Diksmuidelaan 176, B-2600 Antwerpen (Belgium) - e-mail: wdprins@innet.be.

Jaargang 25, nummer 3

H

1 september-*

Sigara (Subsigara) iactans, een nieuwe soort voor , ,, België (Heteroptera: Corixidae) -

Thieiry Vercauteren

f'<A;?VARD

Samenvatting. Sigara (Subsigara) iactans, een nieuwe soort voor België (Heteroptera:

Sigara (Subsigara) iactans Jansson, 1983, werd aangetroffen in Vlaanderen (Noord-België) vanaf 1991:

a) in een gekanaliseerde rivier; de Duime- Moervaart ten noorden van Lokeren (1991-1992) (noord-oosten van de provincie Oost-Vlaanderen);

b) in laaglandbeken van de Vlaamse vlakte: de Koningsbcck in Bomem (4. III. 1992), de Heibeek in Willebroek (Heindonk) (6.X.1992) (beide in het noordwesten van de provincie Antwerpen) en de Burggravenstroom te Waarschoot (16.XI.1994) (noordwesten van de provincie Oost-Vlaanderen)

c) in een kleine laaglandrivier in de Antwerpse Kempen: de Molse Nete, te Mol (14.X1.1995) (zuidoosten van de provincie Antwerpen).

S. iactans werd er telkens aangetroffen in kalm, eutroof water met weinig of geen waterplanten en nabij stenen oeverwanden, brugpeilers of zandige oevers. Het betreA de eerste waarnemingen van de soort in België.

Résumé. Sigara (Subsigara) iactans, une espèce nouvelle pour la Belgique (Heteroptera; Corixidae) Sigara (Subsigara) iactans Jansson, 1983, a été trouvé en Flandre, au Nord de la Belgique depuis 1991 dans:

a) une rivicre canalisée; Ie Durme-Moervaart au nord de Lokeren (1991-1992) (nord-est de Ia province de la Flandre-Orientale);

b) trois ruisseaux de Ia plaine flamande: Ie Koningsbeek è Bomem (4.III.1992), Ie Heibeek a Willebroek- Heindonk (6.X.1992) (nord-ouest de la province d' Anvers) et Ie Burggravenstroom a Waarschoot (16.XI.1994) (nord-ouest de Ia province de Flandre-Orientale)

c) une petitc rivière de plaine dans la Campine anversoise: Ie Molse Nete a Mol (14. XI. 1995) (sud-est de la province d' Anvers).

S. iactans y est toujours trouvé dans des zones lentiques et eutrophes avec une végétation aquatique pauvre et dans la proximité des perrés, des piliers de pont ou des berges sablonneuses. 11 s’agit de la première mention de I'espèce en Belgique.

Summary. Sigara (Subsigara) iactans, a new species for Belgium (Hetcroptera: Corixidae)

Sigara (Subsigara) iactans Jansson, 1983, has been found in the Flandres (Northern Belgium) in:

a) a canalised river: the Durme-Moervaart, north of Lokeren (1991-1992) (North-East of tlie province of East- Flandres);

b) three lowland brooks of the Flemish plain: the Koningsbeek at Bomem (4.III.1992), the Heibeek at Willebroek-Heindonk (6.X.1992) (North-West of the province of Antwerp) and the Burggravenstroom at Waarschoot (16.XI. 1994) (North-West of the province of East-Flandres);

c) a lowland river in the Antwerp Campine region: the Molse Nete at Mol (14.XI.1995) (South-East of the province of Antwerp).

S. iactans was always found in zones of lentic, eutrophic water with a poor aquatic vegetation and near stone walls, pillars or sandy banks. The observations of the species are the first in Belgium.

Key word»; faunistlcs - Sigara (Subsigara) iactans - Sigara (Subsigara) falUni - Heteroptera - Corixidae - fresh water - Belgium (Flandre*)

Vercauteren, T.; Provinciaal Instituut voor Hygiëne, Kronenburgstraat 45, B-2000 Antwerpen.

PhegealS{'i){\.\X.miy 97

Inleiding

Het Provinciaal Instituut voor Hygiëne, dat afhangt van het Provinciebestuur van Antwerpen, onderzoekt o.m. de kwaliteit van oppervlaktewateren. Eén van de werkmiddelen hiertoe is de beoordeling van de biologische kwaliteit steunend op grotere ongewervelde zoetwaterdieren (de macrofauna).

Tijdens een onderzoek voor de Dienst Tijgebonden Wateren (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap) in de Durme-Moervaart werd de macrofauna van de oeverzones bemonsterd met een handnet in mei en oktober 1991 en in april 1992 op zeven meetpunten, tussen Wachtebeke en Lokeren-Daknam. Bij de verwerking van de monsters bleken duikerwantsen (Corixidae), afkomstig van Eksaarde en Daknam (Lokeren), te beantwoorden aan de beschrijvingen van Sigara (Subsigara) iactans Jansson, 1983 door Jansson (1986) en Guppen (1988). Controles door Dr. N. Nieser (Nederland) en Dr. A. Jansson (Finland) bevestigden deze eerste waarnemingen van S. iactans in België.

Later werd de soort ook aangetroffen in de Koningsboek te Bomem (4.1II.1992), de Heibeek te Heindonk (Willebroek) (6.X.1992), de Burggravenstroom te Waarschoot (16.X1.1994) en de Molse Nete te Mol (14.XI.1995).

De vindplaatsen, vangstdata en de aangetroffen aantallen worden weergegeven in

figuur 1 en tabel 1 .

Figuur 1 ; Vindplaatsen van Sigara iactans Jansson, 1983 in België (de cijfers stemmen overeen met de vindplaatsen

in tabel 1, het cijfer 1 verwijst naar de vindplaatsen I en 2 in tabel 1) , u re- i

Localités de Sigara iactans Jansson, 1983 en Bclgique (les chifffes correspondent a ceux de la table 1, Ie chiflre 1

conceme les localités 1 et 2 dans la table 1) ui i r i

Localities Sigara i actans Jansson. 1983 in Belgium (the figures correspond with those in table 1, tigure 1

concerns the localities 1 and 2 in table 1)

Phegea 25 (3) (1. IX. 1997): 98

Figuur 2: De pala van het mannelijk dier bij: a. Sigara falleni (Fieber, 1848) en b. Sigara iactans Jansson, 1983 (maatstreepje = 0,5 mm).

Figuur 3: Situering van het postnodale pruinose gebied van de voorvleugel bij de Corixidae (bovenaanzicht en zijaanzicht)

Kenmerken

Sigara (Subsigara) iactans werd tot de recente revisie door Jansson aanzien als een afwijkende vorm van Sigara (Subsigara) falleni (Fieber, 1848) (Guppen 1988).

De mannelijke dieren kunnen vrij gemakkelijk worden onderscheiden aan de vorm van de pala (figuur 2). De pala van S. falleni is het breedst bij de basis en heeft een min of meer driehoekige vorm). De pala van S. iactans is het breedst ter hoogte van de distale rij paladooms en heeft min of meer de vorm van een trapezium. Guppen (1988) vermeldt in dit verband dat wanneer men een denkbeeldige lijn trekt in het verlengde van de proximale rij paladooms, deze de distale rij paladooms kruist bij S. falleni en steeds onder de distale rij paladooms blijft bij S. iactans.

Bij de vrouwelijke dieren berust het enige verschil tussen S. iactans en S. falleni op de verhouding van de lengte van de klauwen van de middenpoot tot de postnodale pruinose zone van de voorvleugel (dit is de kortste lengte van het doffe gebied, voorbij de nodum, op de opstaande zijkant van de voorvleugel) (figuur 3). Deze verhouding is groter dan 1 bij S. falleni (gemiddelde = 1,10 ± 0,05, n = 30) en kleiner dan 1 bij S. iactans (gemiddelde = 0,91 ± 0,05, n = 35) (Jansson 1986). Dit kenmerk blijkt echter vaak moeilijk en niet altijd betrouwbaar (Guppen 1988). Een controle op 15 vrouwelijke dieren uit de Moervaart en op het enige vrouwelijke dier uit Bomem toonde aan dat de

Phegea 25 (3) ( 1 .IX. 1 997): 99

verhouding tussen de middenklauwen en postnodale zone bij al deze exemplaren kleiner

dan 1 was. ^

Sigara (Subsigara) tactans in Belgie

S. iactans komt in Europa voor in twee onderling gescheiden gebieden: één in het zuidoosten van Europa en één in het noorden van Midden-Europa (Jansson 1986; Guppen 1988). In 1987 werd de soort aangetroffen in het noorden van Nederland, in een zandwinplas te Midwolda in de provincie Groningen (Guppen 1988). De voiidsten in België situeren zich meer dan 200 km ten zuiden van de Nederlandse vindplaats. De levenswijze en de habitatkeuze zijn niet gekend (Guppen 1988). Daarom worden hier de omstandigheden, waarin de dieren zijn gevonden, meer uitgebreid beschreven.

Vindplaatsen - De Belgische vindplaatsen bevinden zich alle in waterlopen.

In de Duime-Moervaart is S. iactans aangetroffen tijdens drie opeenvolgende bemonsteringen (13.V.1991, 9.X.1991, 29.IV.1992) op twee plaatsen op het grondgebied van Lokeren, ten noorden van de stadskern: nl. in de Durme aan de D^ambrug (deelgemeente Daknam) en, ± 1 ,8 km noordelijker, in de Moervaart nabij de Sinaaibrug (deelgemeente Eksaarde) (figuur 1, tabel 1). Het traject kan worden gekarakteriseerd als de overgang van een gekanaliseerde rivier, de Durme, naar een oud kanaal, de Moervaart. De waterweg wordt nu nog slechts sporadisch gebruikt, vooral voor pleziervaart. De waterkwaliteit in dit deel van het kanaal daalt, van meestal middelmatig bij de Daknambrug, naar overwegend slecht bij de Sinaaibrug (tabel 2). Een penodieke a^voer van vervuild water zorgt voor sterke schommelingen van de waterkwaliteit. Bij de Sinaaibrug wordt de slechtere kwaliteit gedeeltelijk veroorzaakt door de regelmatige opstuwing van zeer vervuild water vanuit het afwaartse deel van de Moervaart en een

zijkanaal, de Vaart naar Stekene. , i

De meeste dieren zijn gevonden aan de zuidwestzijde van de Daknambrug: een tiental exemplaren op 13.V.1991 en méér dan 100 exemplaren op 9.X.1991. De dieren zijn vooral verzameld in een hoek gevormd door de westelijke oever en het in het water uitstekende bruggenhoofd. De oever is er afgekalfd. De oevervegetatie van grassen en kruiden reikt plaatselijk tot in het water. Het bruggenhoofd uit baksteen is gedeeltelijk bepleisterd met cement. De bedding bestaat uit zand en leem met verspreid bakstenen. Op het moment van de vondsten was de watervegetatie weinig ontwikkeld: sterrekroos {Callitriche sp.), gedoomd hoornblad {Ceratophyllum demersum L.) en gekroesd fonteinkmid {Potamogeton crispus L.) bedekten samen minder dan 10 /o van de

Ten noorden van de Smaaibmg zijn 2 exemplaren aangetroffen op ^

exemplaar op 29.IV. 1992 nabij de westelijke oever. De afgekalfde oevers en bedding bestaan er uit overwegend kaal zand op een kleiige ondergrond. Tussen de vindplaats en de bmg is de oever verstevigd met damplaten en schanskorven (= met stenen gevul e

Alle dieren zijn telkens gevangen in stilstaand of zeer weinig stromend, helder tot licht troebel, soms groen en steeds alkalisch water (tabel 2). De waterkwaliteit varieerde daarentegen van matig tot slecht. Bij de Daknambrug bijvoorbeeld zijn de meeste dieren verzameld in water met verhoogd ammonium- en chloridegehalte (tabel 2). ^ ,

De andere grotere ongewervelde zoetwaterdieren zijn algemene soorten of typische bewoners van stilstaand en traagstromend water (tabel 3). De vondst van Potamonectes canaliculatus (Lacordaire & Boisduval, 1835) verwijst treffend naar de ornstandigheden bij de Daknambrug: deze eerder zeldzame soort komt vooral lokaal en tijdelijk voor in stilstaande waters op een kale zandbodem (Van Nieuk erken 1992).

Phegea 25 (3) (1. IX. 1997): 100

Tabel 1; Vindplaatsen, Lambert- en UTM-coördinatcn, bemonsteringsdata en aantallen aangetroffen exemplaren van Sigara iactans Janssen, 1983 (mannc^cs/vrouw^es)

Localités, coordonnés Lambert et UTM, dates des échantillonnages, nombres de Sigara iactans Janssen, 1983 (males/femelles)

Lecalities, Lambert- and UTM-ceerdinates, sampling dates, numbers ef Sigara iactans Janssen, 1983 (males/fcmales)

waterloop

localiteit

situering

Lambert-codrdinaten

UTM-coördinaten

datum

adult

man

adult

vrouw

1

Durmc

Lokeren (DaknamJ

122,65 - 202,31

13.V.1991

2

11

Zuidzijde Daknambrug,

31 UES 685(5) 649(5)

8.X.1991

55

83

westelijke oever

29.IV. 1992

-

-

2

Moervaart

Lokeren (Eksaarde)

124,18 - 205,18

13.V.1991

1

1

Ten noorden van Sinaaibrug,

31 UES 700(2) 678(5)

8.X.1991

-

-

westelijke oever

29.1V.1992

1

3

Koningsbeek

Bomem

140,475 - 197,365

4.III.1992

1

1

Barelstraat, opwaarts brug

31 UES 864(2) 603(2)

4

Heibeek

Willebroek fHeindonk)

153,51 - 149,39

6.X.1992

1

1

Grens Willebroek-Mcchelen

31 UES 995(1) 576(2)

5

Burggraven-

Waarschoot

97,35 - 206,9

16.XI.1994

1

stroom

Weg Waarschoot-Lembeke,

31 UES431 691

± 15m opwaarts brug

6

Molse Nete

Mol

199,625 -207,2

15.XI.1995

1

.

Weverstraat, opwaarts brug

31 UFS 453(7) 712(7)

De volgende drie vindplaatsen betreffen sterk door de mens beïnvloede laaglandbeken van de Vlaamse vlakte.

2 exemplaren van S. iactans zijn op 4.III.1992 aangetroffen in de Koningsbeek te Bomem, onmiddellijk opwaarts de brug van de Barelstraat. De beek is er rechtlijnig en wordt zeer regelmatig geruimd. De bedding is er bedekt met een losse laag lemig zand, vermengd met detritus en slib. De dieren zijn onmiddellijk vóór de brug verzameld nabij